"In stikje fan us libben"

SKETTENS EN LONGERHOUW: "IN STIKJE FAN US LIBBEN"


Uitgave van:    Vereniging Dorpsbelang
                       Schettens - Longerhouw

Samenstelling en fotografie: Lijkle Spijksma

Druk: Friesch Dagblad


Foarwurd

It is nou goed fiifenfyftich jier lyn, dat der yn Skettens en Longerhou de foriening fan doarps belang oprjochte waerd. Troch de jierren hinne, hawwe de bistjursleden harren ynset foar de bilangen fan us beide doarpen. Yn tankber oantinken oan al dat diene wurk, dat bard is yn dizze lange rige fan jierren, troch al de wurkers foar de bilangen fan us doarpen, woene wy in reuny halde. Hwant fan dy jierren hat eltse froegere of hjoeddeiske biwenner it ien en oar meimakke.
It is dochs sa, yn Skettens en Longerhou, de rige fan jierren mei koart as lang weze, der leit in stikje fan us libben. Foar de measte reunisten sil dit dochs jilde.

Augustus 1979

Bistjur Doarpsbilang
Skettens-Longerhou
 

Eens sceddanfurti en Langerahove

Schettens ligt op een gedeeltelijk afgegraven terp op de oeverwal van de Marnegeul, evenals de in het dorpsgebied gelegen terpjes Sotterum, Bittens en Filens. Er zijn bij opgravingen resten gevonden, die er op duiden dat hier reeds meer dan 1000 jaar mensen gewoond hebben. De fundamenten van de uit de middeleeuwen daterende kerk wijzen eveneens op een lange historie. De kerktoren heeft door de eeuwen heen verscheidene gedaanteverwisselingen ondergaan. De Witmarsumer vaart, die langs de terp van Schettens loopt,  was vroeger een belangrijke scheepvaartverbinding tussen Bolsward en Witmarsum.
Aan Schettens is de naam van het geslacht Osinga verbonden. De Osingastate is hiervan een bewijs, evenals de Van Osingaweg. Zoals uit het bovenstaande mag blijken is de terp het aangrijpingspunt geweest voor de ontwikkeling van het dorp. De verdere uitbouw van het dorp heeft vooral plaatsgevonden in zuidelijke richting langs de Van Osingaweg. Deze streekbebou wing omvat zowel woon- als bedrijfsbebouwing.
Schettens circa 4 km ten noordwesten van Bolsward en 3,5 km ten zuidoosten vanWitmarsum, is -evenals trouwens Longerhouw- voor voorzieningen voornamelijk aangewezen op Bolsward en, in mindere mate, op Witmarsum. Schettens en Longerhouw hebben een goede busverbin ding met Bolsward en Witmarsum, tussen deze plaatsen wordt een uursdienst onderhouden en bovendien nog en half-uursdienst tussen Bolsward en de Kop van de Afsluitdijk. Het woning bestand van Schettens heeft sinds 1965 rond de 80 gelegen. Tussen 1965 en 1977 zijn er acht woningen gebouwd en negen afgebroken of aan bewoning ontrokken. Door het gelijkblijven woningbestand en het dalend inwonertal daalde de gemiddelde woningbezetting van 3,87 en 1965 tot 3,51 in 1978. (gegevens ontleend aan bestemmingsplan Schettens van januari 1979).
Het woningbestand van Longerhouw is de laatste 10 jaar ongewijzigd gebleven, namelijk 27. Het Gemeentelijk beleid ten aanzien van de verschillende dorpen in de gemeente Wonseradeel is vastgelegd in de 'Nota Dorpenbeleid' van maart 1978. Hierbij zijn de 27 dorpen in vier categorieen ingedeeld:
a. lokale centra,
b. woondorpen met (beperkte)  verzorgende funktie,
c. dorpen met woonfunktie,
d. agrarische dorpen.
Schettens behoort tot de dorpen met woonfunktie, terwijl Longerhouw ingedeeld is bij de agrarische dorpen.
Dit betekent dat ten aanzien van woningbouw, deze bij een dorp met woonfunktie (zoals Schettens) vooral gericht is op een bevolkingsontwikkeling overeenkomstig de natuurlijke aanwas. Nieuwbouw in een agrarisch dorp -zoals Longerhouw-  zal slechts een incidenteel karakter dragen.
Wat Schettens betreft is er een nieuw bestemmingsplan in de molen, dat in woningbouw voorziet tot het jaar 1990. Tevens is in dit plan opgenomen de aanleg van een sportveld.

Tot voor 1857 lag Longerhouw nogal geisoleerd, maar in dat jaar werd de weg van Schraard langs Longerhouw naar de Marnedijk  verhard en hierdoor kreeg het betere verbindingen. De tram langs de Marnedijk bracht nog meer vertier en het Schettenser groothof, later een herbergje rijk, werd tramhalte.

Verenigingen

Verenigingen zijn er in de dorpen nog volop. We noemen ze hier in vogelvlucht: hervormde en gereformeerde vrouwenvereniging, zangvereniging "De Lofstem", vereniging dorpsbelang, begrafenisvereniging, enkele jeugdklubs, vereniging dorpshuis, (het gebouw is onlangs verbouwd), kaartclub en sinds kort ook een sportvereniging met de naam "Sportvereniging Longerhouw-Schettens" (S.L.S). Voor deze vereniging is het wachten nu op een sportterrein nabij de lagere school.
Zo te zien is er nog leven genoeg in de brouwerij in deze dorpen, die een luisterden naar de naam "Sceddenfurti (later Sceddefurti) en Langerahove.

Het onderwijs

Behalve Schettens heeft ook Longerhouw -niettegenstaande het geringe aantal inwoners- een eigen schooltje gehad. Als laatste onderwijzer heeft hier gestaan de heer De Jong. De Schettenser school was zoals in menig Fries dorp oorspronkelijk van de kerk. Helaas raakte op 23 april 1796 het ambt van schoolmeester vakant, omdat deze, aangesteld door de stemgerechtigden, de nieuwe gang van zaken niet accepteerde en weigerde de verklaring af te leggen volgens publikatie van de vertegenwoordigers van 11 maart 1796. Ongetwijfeld was hij dus een Oranjeklant. Nu kon hij mar zien hoe hij aan de kost kwam. Waarschijnlijk heeft hij geen hinder ondervonden van zijn ontslag, omdat schoolmeester meestal een bijbaantje was.
Zo was het in ieder geval met meester Robijn, die in het begin van de negentiende eeuw de jeugd onderricht gaf; hij was bovendien dorpsschoenmaker.
Geen wonder dat er een "echte" schoolmeester werd aangesteld na de bouw van een nieuwe school in 1823. Naast dit ambt vervulde hij nog verschillende kerkelijke funkties. De school bleef neutraal, al wil dit helemaal niet zeggen, dat men niets van "Got en syn Gebot" wilde weten, want meester Justus Gerkama, die ook een tijdje hoofd was in Schettens, voordat hij zijn vader opvolgde in Abbega, gaf zowel in Schettens als in Abbega christelijk onderwijs aan de openbare school. Als opvolger kreeg hij Leonardus Hugius van Koppelman Bokma, weliswaar minder rechtzinnig als meester Gerkama, maar toch behield de school nog een godsdienstig tintje. Buiten de schooluren werd nog wel uit de bijbel gelezen en af en toe een psalmvers gezongen. Hoewel bij de wet van 1857 uitdrukkelijk verboden, zag de overheid dit toch door de vingers, Ingrijpen van overheidswege zou weinig uitgehaald hebben. Eindelijk kwam het verlangen naar positief christelijk onderwijs. Er waren er die het openbare onderwijs nog zo kwaad niet vonden, het was immers nog wel een beetje christelijk. Hierbij kwam, dat men niet graag zag dat meester Bokma werd ontslagen.

Het "echte"

Maaike Turkstra, vrouw van de president-kerkvoogd Tjeerd Douwes de Jong sloot zich niet bij diegenen aan, zij wenste voor haar kinderen het "echte" christelijk onderwijs. In 1856 was zij uit Anjum naar Schettens gekomen en zorgde ervoor dat in de huisgezinnen waar men van Gods woord  vervreemd was geraakt, weer een bijbel kwam.
De school en het schoolhuis behoorden aan de kerk en in menig andere plaats was men al zover gevorderd, dat het gebruik van de deze gebouwen opgezegd waren aan de gemeente  en zodoende de openbare in een christelijke konden veranderen. Hier heeft het nog heel wat voeten in de aarde gehad eer het zover was.
In Schettens ging het namelijk niet zo gemakkelijk, omdat in een overeenkomst waarbij aan de gemeente Wonseradeel het gebruik was toegestaan de bepaling was opgenomen, dat de openbare niet eerder in een christelijke mocht overgaan, zolang het aanwezige hoofd in funktie was. Dat was dus in dit geval meester Leonardus Hugius van Koppelman Bokma.
Men dacht er niet aan de zaak op te geven en daarom, wilde men iets beginnen, dat zou er althans tijdelijk een school gebouwd moeten worden. Jammergenoeg werkte ook de ambtsvoorganger D.J. Westerloo hen tegen, maar de zaak werd voortgezet.
Jan de Boer en Tjeerd de Jong wisten in het dorp eens stukje grond op de kop te tikken. Al gauw ging het gerucht, dat dit bestemd was voor de nieuwe christelijke school. In eerste instantie zwegen de beide kerkvoogden De Jong en De Boer. Ondertussen zat men niet stil, er gebeurde meer.
Enkele arbeiders kwamen bij Tjeerd de Jong, brachten hem wat opgespaard geld, dat zij zelf beste konden gebruiken, maar voor de goede zaak over hadden. Zij waren van oordeel, dat de openbare school hun kinderen -na de wet van 1857- onthielden, wat zij na de doopbelofte schuldig waren.
Ook op andere manieren werd geprobeerd aan geld te komen. In het Friesch Dagblad van begin januari 1949 werd in de rubriek "zeventig jaar geleden" het volgenden meegedeeld:

"In Schettens en Longerhouw is men met een intekenlijst rondgegaan, met het resultaat dat 212 gulden werd gegeven.
Hier volgen de gevers, te Schettens: T.D. de Jong, J.D. de Boer, A.R. Bergsma, D. Scheepsma,
etc...............................................
 
Er was toen al een hulpverlening voor het christelijk nationaal onderwijs gesticht en de 20-ste maart 1870 vond de eerste vergadering plaats. Vanzelfsprekend rees toen de vraag op waar de school moest komen: In Schettens of Longerhouw. Uiteindelijk is toch maar besloten Schettens hiervoor aan te wijzen. De Hichtumer J. Boorsma ontwierp een plan, terwijl K. Roedema van Longerhouw voor de bouw van de school zorgde. Zonder hulp van de kerkvoogden De Jong en De Boer, samen met de weduwe D.T. de Jong, weduwe S.K. Scheepsma en weduwe K.D. Reinsma, had het zeker nog enkele jaren geduurd. De beide kerkvoogden en de weduwe De Jong en weduwe Scheepsma werden gezamenlijk eigenaar van gebouw en erf. Het geld werd renteloos beschikbaar gesteld door weduwe Reinsma. Wat zullen de voorstanders blij geweest zijn, toen op 5 februari 1872 de school geopend kon worden. Deze blijdschap komt in het volgende duidelijk naar voren.

Schettens, 5 Febr. 1872. Deze dag was de dag der blijdschap. Op plechtige wijze werd de school ingewijd en 't moet 't aan hoofd dezer aantekening staan: De Heere zegende ons.
Ten 10 ure trad de Weleerw. Heer Rademaker, predikant te Sneek op en sprak over 't zuurdeeg, verborgen in drie maten meel. Zo moest ook het Chr. beginsel de kerk, de school, de maatschap pij doortrekken. In ernstige en boeiende taal sprak Z. Eerw. over het hoge belang van de Chr. schoolopvoeding. Ten 12 ure werden allen, die zulks verkozen, door de commissie onthaald op 't nodige voor 't lichaam. Daarop werd de school geopend met 46 leerlingen en de onderwijzer zegenend zijn werkkring ingeleid. Deze las Efeze 6 en sprak een hartelijk woord tot Commissie, ouders en leerlingen. Daarop ging men vanwege de menigte der toehoorders weer naar de kerk, waar door verscheidene sprekers, het noodzakelijke en heerlijke der Chr. opvoeding werd betoogd. Hierop verzamelde men zich ten 5 ure weder in de school, waar nu het overige van de dag en de avond onder voordrachten en godsdienstig gezang werd gesleten. Zeer voldaan keerde men huiswaarts en mocht men dankbaar getuigen: De Heere was in ons midden.

Met 46 leerlingen heeft als eerste hoofdmeester A. Hoekstra de jaren 1872 tot 1886 de leiding van de school in handen gehad. Ook op ander terrein heeft hij veel gedaan. Hij was o.a. jarenlang gemeenteraadslid Douwe Scheepsma, een van de weinige rechtse leden in de raad, die hierdoor vaak een zware strijd moest leveren, tot steun. Meester Kurpershoek volgde Hoekstra in 1886 op.

School liep leeg

Even terug naar de openbare school. Deze liep langzamerhand leeg. Toch heeft men het nog bijna tien jaar kunnen bolwerken van 5 februari 1872 (de stichting van de christelijke school) tot uiteindelijk in 1881 de strijd werd opgegeven. Met slechts acht leerlingen, waarvan twee uit Witmarsum en twee uit Bolsward, kon de zaak niet langer stand houden. Men heeft de noodzake lijkheid en het behoud van de openbare school in Schettens willen aantonen, maar het is de voorstanders van dit onderwijs niet gelukt. Meester Bokma kreeg na 37 jaar eindelijk eervol ontslag, terwijl de openbare school werd gesloten.
Het oorspronkelijk plan van de voorstanders voor de christelijke school kon nu ten uitvoer worden gebracht, namelijk het stichten van een kerkelijke school. Ds. J.F.L.A. de Jagher (1880- 1882) ging hier tegen in en vond dat het uit moest gaan van een vereniging. Zo bleef de school in haar eigen gebouw en de ex-openbare school kreeg voorlopig een andere bestemming.
Meester P. Kurpershoek kreeg dus in 1886 als tweede schoolhoofd de leiding in handen. Hij toonde zich bijzonder "warber" en
 "Syn hert wie as in iepen boek
 Syn wurden tsjugen it Leauwensljocht"
 (ontleend aan de revue "Bouwe en Bilide")

Hij droeg de jeugd een warm hart toe. Zo slaagde hij erin op 12 oktober 1887 in de oude school opnieuw de G.J.V. nieuw leven in te blazen. Vaak las meester de schoolkinderen uit de krant voor over de boerenoorlog. De volgende regels uit de revue "Bouwe en Bilide" spreken duidelijke taal:
 Binammen de oarloch fan Transvaal
 Woun master him nochal om op
 Hy rop tsjin elts yn foarse tael
 Hoera, de Brit krijt op syn kop.

Tot 1914 heeft hij hier gestaan, eerst als hoofd van de christelijke school en na de doleantie van de gereformeerde. Achtentwintig jaar (1886-1914) is een hele tijd en zijn overlijden, twee jaar na pensionering, viel menigeen zwaar.

Niet tegen opgewassen

De doleantie maakte aan hetgeen men gezamenlijk had opgebouwd een eind, want hoewel Tjeerd en Jan Douwes de Jong, Douwe Scheepsma en Jan Jansen zeiden: "Wy bliuwe bymekoar", hier was men niet tegen opgewassen. Het schoolbestuur bestond voornamelijk uit personen, die kozen voor de richting van "Kuyper" en dit wekte grote ontevredenheid bij degenen, die Hervormd waren gebleven. Net was besloten de school uit te breiden, want aan een lokaal had men niet voldoende. De kosten zouden voor rekening van de kerkvoogdij komen en toen openbaarde zich de kerkelijke verdeeldheid. Het spreekt vanzelf dat menigeen uit Hervormde kring weinig meer voelde voor die uitbreiding. Toch is de kerkvoogdij de verplichtingen nagekomen, ook al omdat een en ander kontraktueel was vastgelegd. Nog hetzelfde jaar verrees er een tweede christelijke school. De heer De Jong, jarenlang voorzitter van het schoolbestuur bedankte en veel Hervormde leden volgden zijn voorbeeld. Nu werd uiteindelijk toch nog het oude plan uitgevoerd, de Hervormde school onder te brengen in het gebouw van de ex-openbare school, die in 1881 was vrijgekomen. De heer Van Beem uit Abbega werd het eerste hoofd van deze nieuwe (Hervormde) school en hij stond hier van 1889-1893. Beide schooltjes waren klein en soms leek het of zou de oude (Gereformeerde) school moeten verdwijnen. Pogingen om de scholen te herenigen, mislukten. Dit lukte pas na de Tweede Wereldoorlog, in 1946, toen het hoofd van de Gerefor meerde school-Pietersma- vertrok. Meester G. Eyzenga, vanaf 1933 al hoofd van de Hervormde school, werd nu hoofd van de gecombineerde school. Eerst werd nog les gegeven in beide gebouwen, maar in 1955 kon een nieuwe driemansschool worden geopend. Na meester Eyzenga waren hier als hoofd van de C.N.S.: D. Wijnia, W. van der Schaaf, S. de Jong en sinds enkele jaren S.D. Elzinga. Voor de periode Eyzenga en na meester Van Beem: T.J. Broers (1893-1908), J.D. de Jong (1908-1921), O. Hoekstra, J. Gras (1923-1924), Haarman en H. Hoogeveen (thans woonachtig in Oosterwolde).

Kleuterschool

De kleuters van Schettens en Longerhouw hebben het lang moeten stellen zonder kleuteronder wijs. Wel hebben zij enkele jaren de kleuterschool in Bolsward bezocht, maar toen deze school liet weten, deze kinderen van buiten de stad niet meer te kunnen ontvangen, werden door het schoolbestuur van de C.N.S. pogingen ondernomen om in Schettens een kleuterschool te krijgen. Hierin slaagde men en met ingang van 1 augustus 1975 kon een semi-permanent gebouw door de kleuters worden betrokken, als dependance van de gemeentelijke kleuterschool in Witmarsum. Volgende stap was het streven naar een normalisering van de situatie, om de samenwerking tussen de kleuter- en lagere school beter tot zijn recht te doen komen, mede gelet op de toekomsti ge integratie van het onderwijs. Hiervoor was nodig beide schooltypen onder een bestuur te brengen. Ook deze poging slaagde, want bij Koninklijk Besluit van 3 maart 1979 werd het voor de stichting benodigde aantal kleuters gesteld op twintig. Eind juli 1979 zette eveneens de gemeenteraad van Wonseradeel het licht op groen. Mej. G. Tol uit Witmarsum is vanaf de beginperiode leidster geweest op de kleuterschool.

School in Longerhouw

Zoals gezegd, heeft ook Longerhouw eens school gehad. Begrijpelijk, allen het heeft niet zo erg lang geduurd. Voor 1830 heeft de bevoling nog geen stappen ondernomen, maar op 20 september werden alle floreenplichtigen opgeroepen om "te delibereren over het beroepen van een bijzonde ren onderwijzer voor hun dorp". Het is toen niet gelukt, omdat er in de Friese Volksalmanak 1836-1837 in Longerhouw nog geen school voorkomt.
De moed opgeven, nee, want twaalf jaar later werd een nieuwe poging ondernomen. De school opziener vroeg de "grytman" of er mischien iets in Longerhouw op "priemmen" stond. De "grytman" wist nergens van, en ook Gedeputeerde Staten zeiden, "dat der neat fan kommen kin".
Toch bestonden er plannen, want in de Leeuwarder Courant van 8 april 1842 werde de volgende oproep gedaan:

"Een onderwijzer 3e rang en ongehuwd , om zich te verbinden in de Bijzondere School van de kerk te Longerhouw, alsmede tot de waarneming der posten van koster en voorzanger bij de Hervormde gemeente aldaar, op een jaarwedde van f. 175,-- van de kerk, benevens vrije woning en de schoolgelden van 16 leerlingen a 40 cts in 't kwartaal: zich aan te melden aan de secretaris van Wonseradeel."
 

Het duurde nog  tot 1846. Toen gaven Gedeputeerde Staten vergunning om een school te beginnen voor een proefperiode van 10 jaar. De school heeft twee meesters gehad. De eerste was Douwe Wiebes Koopmans, maar na drie jaar had deze er genoeg van. Jan Sjoerds de Jong werd zijn opvolger. Hij kwam van Makkum, waar hij in 1846 eerst als "kwekeling" en een jaar later als onderwijzer was. In Longerhouw bezat hij de tweede rang. Om welke reden dan ook, het schooltje had geen recht van bestaan. In 1861 kwam er een einde aan. Jan Sjoerds de Jong ging terug naar zijn oude plaats Makkum, tot hij in 1865 tot hoofd werd benoemd in Haskerhorne. De Longerhouwster kinderen werden weer naar Schettens gestuurd, waardoor de school te klein werd in in 1862 moest worden vergroot. Meester Leonardus Hugius van Koppelman Bokma kreeg het weer drukker.
 

Het kerkelijk leven

Gereformeerde kerk

Op 7 december 1888 kwam een aantal manslidmaten van de Hervormde Kerk bijeen onder leiding van Ds. T.D. Prins, toetertijd "dolerend" predikant te Wons. Op deze vergadering werd tot breuk met de Hervormde organisatie besloten. Naar de geest van de doleantie, die op verschillen de punten zich van de afscheiding onderscheidde, hield men vast aan het standpunt, de "wettige" kerk te zijn, geen nieuwe kerk, die naast de bestaande werd opgericht, al kwam het in de praktijk  daarop later wel vaak neer. De beide diakenen D. Scheepsma en J.Y. Jansen, die met de doleantie meegingen, bleven dan ook in het ambt en de kerkeraad werd slechts "angevuld" met twee ouderlingen, omdat de beide ouderlingen "synodaal" bleven. Gekozen werden A. Bergsma en meester P. Kurpershoek. De eerste samenkomsten werden gehouden in de timmerwinkel van Runia, waar 7 januari 1889 de instituering plaast had. Men vermeed het vergaderen in de school, hoewel de leden en het bestuur in grote meerderheid dolerend waren. Op andere plaatsen leidde dit gebruik van de school door een der partijen tot splitsing ook op schoolgebied  en dit wilde men voorkomen. toen deze splitsing toch plaats had, werd de Christelijke school vergaderplaats, tot in 1907 een kerk kon worden gebouwd, waarvan de eerste steen gelegd werd door Ds. D. van der Meulen (1901-1907). De verwachting van Psalm 27 vers 14 is in deze steen gebeiteld.
In 1891 kreeg de Nederduits Gereformeerde kerk (na 1892 Gereformeerde kerk) een eigen predikant, namelijk Ds. C. Hoek. Hij was de vader van de latere Dr. J. Hoek een Schettenser van geboorte, die in de Gereformeerde kerken een belangrijke positie heeft ingenomen. Ds. Hoek bleef tot 1899. Ds. Van der Meulen die hem opvolgde is later bekend geworden door zijn "Schetsen  uit Friesdorp", die met belangstelling en soms met vrees "kom ik ook aan de beurt" gelezen werden. Er zullen ook wel Schettenser mensen geweest zijn, die de indruk hadden, dat zij voor de spiegel stonden, als zij deze "feuillotons lazen.
Verder hebben de gemeente nog gediend: ds. J. Bouma, ds. E. Beukema, ds. J. Bolman (vanaf 1919 tot zijn emiraat in 1937), ds. M. Feitsma (1937-1942), ds. J. van Eerden, ds. J. van Tuinen (1951-1957), ds. A. Riddersma (1957-1962); ds. G. van Halsema en vorig jaar deed ds. W.M. Verbaan hier zijn intrede. Enkele jaren geleden is de kerk een combinatie aangegaan met Bolsward.

Hervormde kerk

De eerste predikant, die omstreeks 1600 het Evangelie der Reformatie predikte, was Willem Jurjens, of Wilhelmus Georgii, zoals hij zich naar de geest van die tijd noemde. Hiervoor- in de roomse tijd- had elke kerk eigen herder of herders. Longerhouw had zelf een pastoor en een vicarus, van wie de een 110 en de ander 80 goudguldens per jaar verdiende.
Het is ondoenlijk om alle predikanten na Willem Jurjens op te sommen. Vaak waren het figuren, die verschenen en ook weer vlug verdwenen waren. Sommigen bleven maar twee of drie jaar.
Zo ook de broers Petrus Eilshemius en Abraham Daniel Eilshemius, afkomstig uit Oost- Friesland, waarheen hun vader in de dagen van Alva was gevlucht. Zij hadden zich genoemd naar het dorp Eilsheim in het Embder gebied. De kerk van Schettens-Longerhouw dienden zij resp. van 1620-1623 en 1624-1627. Dan vier predikanten, die ook aale vier in Longerhouw zijn overleden: Eteus Terwold (1644-1668), Jacbobus Steenwijk (1685-1741), ds. Joh. Lantinga (1743-1785) en Joh. Sardon (1786-1809).
Na een predikant met een lange naam Theodorus Coenraad Kock Belanus van Assen, een in 1824 te leiden geboren jonge kandidaat, Jan Wouter Felix. Al spoedig kwamen de heilbegerigen, die thuis stenen voor brood kregen. Elke zondag zag men wagens, soms met 16 mensen erin, en een groot aantal sjezen en ander voertuigen. Er was geen herberg en daarom sloeg men uit  bij een paar boeren. In twee koffiehuizen bleven de kerkgangers  van elders over. Vaak moesten ze buiten zitten en "simmerdei klonk leaflik dan fan under de appelbeammen it psalmsjongen oer it gea".
In 1851 vertrok ds. Felix naar opheusden en twee jaar later stond hij in Heeg. Ds. W. Sijpkens volgde hem op, die met zijn broer G.J. Sijpkens ook een steunpilaar van de "Vereniging van de Vrienden der Waarheid" was. Na hem (weer) een liberale dominee, D.J. Westerloo. Het was nog in de tijd van de florenen en de "ligging" van de grondbezitters waaronder Baron van Palland Keppel, die veel grond in Schettens bezat, met een grote invloed. Hij was bepaald niet op de hand van de actieve orthodoxen. Na zijn vertrek in 1879 (honderd jaar geleden) naar Arum gaan Schettens en Longerhouw weer "om", waarschijnlijk mede als gevolg van het feit, dat de tijd der floreenrechten voorbij was. De gemeenten werden mondig, geen wonder, dat hier toen weer mannen kwamen in de geest van ds. Felix. De eerste was ds. J.F.L.A. de Jagher. Hij bleef tot 1882. Van de rij predikanten die na hem kwamen, veertien in totaal, vermelden we nog: ds. Berend Dijkstra (1910-1921), ds. Gerrit van Hoeven (1922-1928), ds. Theunis Kloek (1928- 1945), ds. Johannes Antonie Gelderman (1945-1947), dr. Anne Jippe Visser (1948-1956), ds. Willem Hoogendoorn (november 1956-4 juni 1961), Jan Hendrik Pol (17 september 1961-24 oktober 1965), Willem L. Speelman (16 oktober 1966-14 september 1975), en vanaf februari 1976 Gerrit Jan Ros.
Op borden in de kerk zijn in Schettens de namen van alle predikanten vermeld, die de gecombi neerde gemeenten hebben gediend, gemaakt door de heer Roedema.
Op 1 januari 1969 is de hervormde gemeente Longerhouw c.a. een combinatie aangegaan met die van Schraard.

De kerk van Longerhouw

De kerk in Longerhouw werd gebouwd in de dertiende eeuw, maar de ouderdom is aan de buitenzijde niet waar te nemen. In 1757 was deze kerk bijna onbruikbaar en vervallen. Daarom werd het middeleeuwse kerkgebouw ommetseld met kleine steen, zo ook het inwendige. Van het oude gebouw bleef praktisch niets anders over dan de fundamenten. Toen zal waarschijnlijk ook het kerkmeubilair vervaardigd zijn. Op 24 april 1757 kon de kerk weer in gebruik worden genomen. Dit gebeurde in een dienst, geleid door ds. Joh. Lantens, die sprak over Zacharia 1 vers 16.
In tegenstelling tot de spreekstoel is het kerkmeubilair erg eenvoudig.Er zijn oversierde, dichte mannen- en vrouwenbanken, al moet gezegd worden, dat sinds jaren de mannen en vrouwen niet meer gescheiden in de kerkbank zitten, een doophek en orgelbalustrade met gewrongen balusters en drie tekstborden met vleugelstukken in de vorm van gestileerde adelaar. Achter het negentien de eeuwse orgel hangt een oude, primitief beschilderde orgelbekroning met engeltjes in grisaille en een opschrift, ontleend aan Lucas 2 vers 10-11.
De preekstoel is uitzonderlijk fraai, sober van vorm, maar rijk aan ornamentaal en figuratief snijwerk. Op de panelen van de kuip zijn de volgende episoden uit de heilsgeschiedenis weergegeven:

a. Geboorte (stal met Maria en Jozef, herders en wijzen, de os en de ezel)
b. Kruisiging (het derde kruis wordt opgericht, Romeinse krijgslieden werpen het lot, Maria en Johannes, Joden en krijgslieden te paard, op de achtergrond Golgotha, boven Jeruzalum gaat de zon op)
c. Hemelvaart
d. Laatste oordeel (Christus op een troon met de aarde als voetenbank-Majestas Domini-, de hemel tegenover de vlammende hel)

De maker van deze kansel is niet bekend. Sommigen zijn zelfs van mening, dat dit er twee zijn geweest.
Met de restauratie van de zadeldaktoren - ruim dertien jaar geleden een rune- kon in april 1966 een begin worden gemaakt door aannemer Yde Schakel van Exmorra onder architectuur van ir. J.J.M. Vegter uit Leeuwarden. Restauratie werd mogelijk, dankzij subsidie van het Rijk (50%), Provincie (15%) en gemeente Wonseradeel (25%) in totale kosten van plm. f. 170.000,--.
Het resterende bedrag kwam voor rekening van de Hervormde gemeente van Longerhouw c.a. Verschillende akties werden op touw gezet, die f. 11.429,73 opleverden. het leeuwenaandeel f. 6.471,70 kwam binnen via koekakties.
Er werd van een ruine weer een toren gemaakt. Vergroting van de draagkracht is verkregen door buitenom een ring van beton en van binnen een plaat van beton te storten. Het muurwerk- in de loop der tijden telkens weer hersteld door nieuwe pleisterlagen- werd geheel verwijderd. De muren bestaan nu voor een groot deel uit Friese moppen, terwijl hogerop kleine Friese gele steen is gebruikt.
Behalve de toren en het kerkportaal, waarin enkele oude grafstenen een ligplaats hebben gekregen, is ook de kansel nagezien. Valk bij de ingang is op een verhoging een teruggevonden fragment van een altaarsteen neergelegd. In de rode Bremer zandsteen is een der wijdingskruisjes duidelijk herkenbaar. Bij de restauratie werd van de benedenruimte  van de toren een sfeervol vertrekje gemaakt, de zgn. "togakamer". Het venster, dat dit vertrek verlicht, is wel oud, maar heeft toch oorspronkelijk daar niet gezeten.
Op 13 september 1967 kon tijdens een officiele bijeenkomst de kerk door de architect weer aan de Hervormde Kerkvoogdij worden overgedragen. 's Avonds werd een speciale openingsdienst  gehouden, geleid door ds. W.L. Speelman. Longerhouw kon toen weer trots zijn op hetgeen ambachtslieden uit een ruine  van verval hadden geschapen.
Het wachten is nu nog op de restauratie van het kerkgebouw. Plannen in die richting zijn er al wel maar ook de restauratie van de toren liet bijna twintig jaar op zich wachten.
Augustus 1978 leidde de route van NCRV's Kerkepad o.a. langs Longerhouw. Vele honderden bezoekers namen hier op twee zaterdagen een kijkje.

Hearaldiek

Beide dorpen kunnen in een hand adem worden genoemd. Ze horen eigenlijk bijelkaar, althans kerkelijk. Beide dorpen hebben een kerk. In de voor-reformatorische tijd had elk dorp zijn eigen geestelijke, doch na de reformatie werden beide gemeenten gekombineerd een een predikant moest zijn aandacht verdelen over beide dorpen. Dit kon ook wel, aangezien het kleine gemeen schappen betrof. Beide dorpen betaalden ieder de helft van het domineestraktement.
Het kruis in het wapen van Longerhouw duidt op de met Schettens gedeelde geestelijke. Vandaar de deling door het kruis; een schuine deling, vanwege dezelfde schuine deling in de dorpsvlag.
Ook het wapen van Schettens is op dezelfde wijze gedeeld. De kleuren en symbolen in het Schettenser schild zijn echter ontleend aan het wapen der Osinga's die bij Schettens een stins hadden. Dit geslacht heeft een aantal grietmannen van Wonseradeel voortgebracht, waarvan Jancke (15 AAB.) van Osinga wel de belangrijkste was. Hij deed veel voor de verbetering van de waterstaat in de grietenij  en was gewestelijk en landelijk bestuurder. Zijn grafsteen ligt in de Hervormde kerk. De Osinga's hebben als het ware in vroeger eeuwen het dorp beheerst. Vandaar dat hun wapensymbolen in het dorpswapen terug te vinden.
In het wapen van Schraard duidt de roos op de akker of op het grondbezit. Bovendien is het een attribuut van Maria, evenals de lelie. In feite hebben we in het wapen van Schettens niet met een een echte lelie te maken, doch met een lis, de gele bloem langs de waterkant. In het frans spreekt men van een "fleur de lis". Het waren de franse koningen, die voor het eerst deze bloem tot hun wapenfiguur kozen. Men spreekt nog wel eens van de "Franse lelie" hetgeen fout is, omdat nadien vele andere dan Franse geslachten de lelie in hun wapen gingen voeren. In 25% van de Friese eigenerfden wapens komt de lelie voor. Zij is het symbool van de reinheid, en voor de Friese wapens kan de lelie duiden op het zgn. "almende" recht, het recht dat de eigenerfden hadden op het gebruik van de gemeenschappelijke weidegronden rond het dorp.

Bevolkingsverloop en huidige bewoners

De eeuwen door zijn Schettens en Longerhouw qua inwonertal klein gebleven. Wel is dit in vergelijking tot ruim tweehonderd jaar meer dan verdubbeld. Zo telde Longerhouw in 1744 slechts 39 inwoners, voornamelijk bestaande uit boeren en n predikant (Ds. Berbr. Lanting).
In Schettens woonden in 1749 nog maar 89 mensen, hoofdzakelijk boeren, drie vrijgezellen, twee slagers, n timmerman, n schoolmeester en twee arbeiders.
Het bevolkingsverloop van 1749-1979 zag er als volgt uit: