GRAFZERK VAN SEERP VAN OSINGA

Rijk geornamenteerd: gemerkt B 1554 G    (dit is Benedictus Gerbrants)
Gotisch randschrift

(Rand)
Int jaer ons Heren MV C en /
LI de eerste dach Novebris sterf den erefesten heerscip Seerp Oesyngha /
Int jaer ons Here MV C en /
LXIX de IIII dach Novebris sterf die eerbare juffrow Jel Heerema sy wijf /

Alliantie wapens Osinga en Herema;
helmteken 2 veeren

Anno 1589 de 25 Nouembris /
sterf de eedelen erentphesten /
Seerp van Osinga /
grietman ouer Wonseradeel /
en leit hier begrauven /

In de hoekmedaillons wapens:

Links
Resp. (Sybren) Osinga en (Sybren) Herema;

Rechts:
(Ymck?) Dekema (horizontaal gehalveerde lelies) en (Auck) Camstra

Boven: wapen Van Osinga, met de roos en lelie. (linksboven, Sijbren van Osinga, de vader van Seerp van Osinga)

Boven: het wapen Dekema, met twee franse lelies (rechtsboven, N.N. van Dekema, de moeder van Seerp van Osinga)

boven: wapen Herema, met de drie eikels (2 onder/1 boven)   (linksonder, Sybren van Herema, de vader van Jel van Herema)

Boven: het wapen Camstra, met de kam, ster en rad (sprekend wapen) (rechtsonder, Auck van Camstra, de moeder van Jel van Herema)

 

Boven: het wapen van Jel van Heerema (rechts) met drie eikels.

boven: bovenste gedeelte van de grafzerk

Boven: cartouche onderaan de zerk, met de tekst:

Anno 1589 de 25 Nouembris /
sterf de eedelen Erentphesten /
Seerp van Osinga /
grietman ouer Wonseradeel /
en leit hier begrauven /

 

 


 



In het Fries Museum is een tekening van deze zerk, gemaakt door A. Martin, uit 1870.

Hieronder volgt een beschrijving van de zerk uit het tijdschrift De Vrije Fries, deel 23, uit 1915. 

'Grafzerken der XVIe eeuw in Friesland.
Een bijdrage tot de geschiedenis der Renaissance in dat gewest

Door: Raphael Ligtenberg O.F.M.

......................
Omstreeks 1547 zijn wij de eerste pogingen om uit Itali te komen. Waarheen is nog niet bepaald. In 1552 is B.G. op weg naar Vlaanderen. In 1554 is hij er aangekomen.

Met dit jaarcijfer n.l. en geteekend door B.G. ligt te Schettens een zerk voor Seerp Ockinga (V1551) en Jel Heerema (V1562). Die steen is z verschillend van al wat B.G. tot nu toe vertoonde, dat men aan een werk van zijn hand niet zou gelooven, als de signatuur niet allen twijfel onmogelijk maakte.
Binnen een omlijsting als die op de vorige zerken zien wij het veld ook nu nog in tween gedeeld, maar niet door een platten band, doch door een soort vloer, rustend op de piedestals van twee zuilen, die een zeer samengesteld hoofdgestel dragen.
In het benedenvlak, tusschen de piedestals, wier voorvlak een vrouwelijke herme vertoont, is een vierkant bord, met opschrift in Romeinsche kapitalen, gevat in een lijst van rolwerk -een rolwerk-cartouche- waarboven twee, op n knie achterover leunende, putti; ter weerszijden een gehelmd masker met C-spiralen.
In het bovenste vak herkennen we de alliantiewapens met helm en helmkleeden, alweer als bladwerk behandeld - maar de akantus is geheel verbasterd, en er is meer blad dan rank; tussen de schildhoudende figuren staat een schaalvormige vaas met bloemen. De zuilen staan op basis en plint, dragen kapiteel en dekplaat en hebben een schacht, die, onderaan geornamenteerd, verder cannaluren vertoont.
Het hoofdgestel  - effen architraaf, versierd fries en kroonlijst met triglyphen - is boven de dekplaten der kapiteelen verkropt en in het midden gebroken. Door twee consoles aan de binnenhoeken ondersteund, draagt het een, wederom in het midden gebroken, rondboog, op welks opgaande segmenten een naakte genius in akanthusranken leunt. Links en rechts een gedrapeerde herme, achter wier hoofd het in knoopen opgebonden "hangende doekje" met losse einden.
De bekroning dezer ingewikkelde compositie is zelf wederom zeer samengesteld. Op een hoofdgestel, - gedragen op de ionische voluten van twee caryatidenkoppen, door een "hangend doekje" met een, in hun midden aangebracht, gekroond masker verbonden - staan, tusschen de verkoppingen boven de voluten, twee pilastertjes. Zij flankeeren een trapeziumvormige nis, wier ingebogen opgaande zijden door C-spiralen zijn gesierd, en die afgedekt is door een rondboogfronton met schelpornament. In de nis een kortgekleed figuurtje, dat in iedere hand een kronkelende slang knelt.

Een vergelijking met de steenen uit B.G.'s eerste periode toont, dat de omlijsting, de tweedeling van het veld, de opschriftplaat in het onderste vak, de schilden met toebehooren in het bovenste, zijn gebleven. Nieuw is de architectuur: de zuilen - geen kandelaber-balusters meer - willen geen ornament meer zijn; zij schuilen niet half achter de omlijsting weg om een soort binnenrand te vormen, maar staan vrij op een vooruitspringend basement onder een oversrpingend hoofdgestel: er is diepte en perspectief in de teekening gekomen.Dat blijkt ook uit den stand der voeten van de schildhouders. Nieuw is verder de bloemvaas, nieuw zijn de hermen, de hangende doekjes, de maskers (wl te onderscheiden van de halve-maan maskers, uit bladranden gevormd, op den steen van Tjalling van Botnia te Franeker); nieuw zijn de caryatiden en nieuw is de rolwerk-cartouche om de opschriftplaat. En al dat nieuws wijst naar Vlaanderen.