Jonghema te Sotterum (Schettens FC6 en FC7)


 

Bij de regeling rond 1480 van de geschillen over de erfenis van Agghe Walta worden ondermeer genoemd 45 pondematen to Jonghama, waarop Sibrent de kuiper pleegt te wonen, mey dat stins, weer, greeft,3322 ende walla ende hem ende diin steen deer tho Jonghema ende tho Bittens is. Dit goed zou komen aan Agghes erfgenamen Hero Hayez en zijn vrouw Rynck. Om de stins lag dus zowel een gracht als een wal, en bovendien was er mogelijk een stinswier. Bovendien was er op het erf een voorraad steen, iets dat vaker expliciet wordt vermeld.

Een ander Walta-goed was 75 pondematen groot, gelegen tho Sottrum in Jonghama gueden, waarop Luutghien woonde. Blijkbaar was Jonghama-goed dus in twee delen gesplitst. Dít goed kwam aan Epo Hesselsz Jongema te Bozum, een schoonzoon van Agge Walta. Eén blik op de genealogieën Walta en Aebinga in het Burmaniaboek en de eigendomssituatie van 1640 levert op dat het rond 1480 aan Epo Hesselsz gekomen Jonghama-goed waarschijnlijk FC6/SC3 is.3323

De kaart van Schotanus van 1718 leert dat de sate FC6 aanvankelijk tussen FC5 en FC7 lag op een ook later nog bij FC6 behorend perceeltje. FC5, 6 en 7 lagen alle dus op de noordflank van de terp.3324 Indien we daarbij bedenken dat naast dit Jongema in 1480 nog een ander Jongema-goed lag, met een stins, wier en gracht, is het een aantrekkelijke hypothese dat FC7 het andere Jongema-goed, met de stins was. Op de kadasterkaart van 1832 tekent zich naast het erf van FC7 namelijk een geheel omgracht stukje weiland af (Witmarsum kad. C449), waarvoor de eenvoudigste verklaring is dat het het restant van een stinswier was.

De conclusie kan zijn dat een groot deel - drie van de vier sates - van de buurschap Sotterum in de 15de eeuw uit hoofdelingenland bestond. Bovendien lagen er twee stinzen: Osinga en Jongema. De laatst genoemde paste in een netwerk van Walta-steunpunten: te Makkum, Schraard, Schettens, Bolsward en Tjerkwerd.


 


 

3311 Worp van Thabor, IV, 276.

3312 Zie verder *Hottinga te Pietersbierum.

313 GPCV, II, 318; Worp van Thabor, V, 153.

3314 RAF, rentmeestersrekeningen 1518.

3315 GPCV, II, 429. In het stamboek van de Friese adel, SFA, I, 283, worden Sybren en Seerp als vader en zoon gezien.

3316 BB, 312-313, 309.

3317 OFO, II, nr. 321.

3318 OFO, II, nr. 361.

3319 Nalezing, 88-89.

3320 RAF, RA Wonseradeel GG16, blz. 193v; DJvdM.

3321 RAF, RA Wonseradeel GG19, fol. 77. De Kleine Plaatse zal overeenkomen met Dycxhorne sate (1640; SC6, FC9).

3322 OFO, I, nr. 305. Er staat woer, lees weer of wier. Onduidelijk is of er van zowel een wier als een gracht sprake is, of dat een weer-gracht is bedoeld.

323 UvB, sub Walta en Aebingha; GJB (1994) 148-149: Agge Walta; dochter: Iouck Walta, trouwt Epe Hessels Jongema; zoon: Pier Walta; dochter: Iouck Walta, trouwt Frans Cammingha; dochter: Siouck Cammingha, trouwt Hette Aebinga; zoon: Schelte Aebinga; zoon: Sicke Aebinga, gest. 1636. In 1640 was wijlen Sicke Aebinga kint voor 't merendeel eigenaar van SC3 op Sotterum.

3324 Zie de kaart van Schotanus (1718) en PKAF, IX, 85, noot 6**.