De oudste bedijkingen rond Pingjum

[de Marnedijk bij Schettens. Op de achtergrond het Viadukt]

Oeverwallenlandschap

Aan het landschap rondom Pingjum is nog steeds te zien, dat de zee hier eens een grote invloed heeft gehad. Het dorp Pingjum zelf maar ook delen van de Halsband liggen op een getij-oeverwal.  Die oeverwallen zijn ontstaan in een tijd dat de zee hier vrije toegang had. Ze waaieren hier als het ware uit over het landschap voorbij Arum, Witmarsum en Schraard. In het hart van dit oeverwallen-complex bevindt zich het restant van een oude zee-erosiegeul, de Marne. In het land is die erosiegeul nog te herkennen als een wat lager liggend gedeelte ter weerszijden van de Bedelaarsvaart en de Harlinger- en Witmarsumervaart.

Die Marne liep ooit in een halve cirkel noordelijk en oostelijk rond Pingjum en drong voorbij Witmarsum verder landinwaarts door tot Bolsward. Hoe oud die Marne is, valt niet te zeggen.  Sommigen stellen het ontstaan ervan al heel vroeg, in de voor-Romeinse tijd. Er zijn echter aanwijzingen, dat de invloed van de zee in het gebied westelijk van Pingjum en Kimswerd in die tijd niet groot was. Hoe het ook zij, bij geologisch onderzoek is vastgesteld, dat de Marne pas in de negende en tiende eeuw zijn grootste agressiviteit en daarmee uitbreiding heeft bereikt. 
De kwelderwallen, die het gebied van Pingjum prachtig omsloten, zullen niet overal even hoog zijn geweest. Normaal hielden ze op de meeste plaatsen het zeewater wel tegen, alleen de wat lagere plekken zullen wel eens water hebben doorgelaten. Het aanleggen van lage dijkjes op deze plekken leek toen haast voor de hand te liggen. Zo kan er binnen redelijk korte tijd een lage waterkering over lange afstand zijn ontstaan, en was de eerste bedijking een feit.

Aanvankelijk kwam hier dus, vermoedelijk in de loop van de elfde eeuw, een waterkering tot stand, die deels bestond uit hoge gedeelten van een kwelderwal en deels door mensenhanden was opgeworpen. Die waterkering liep noordelijk van Pingjum langs Riegeweg en Nesserlaan, vervolgens naar het zuiden en boog daarna om naar het zuidwesten, om ten zuiden van Pingjum te eindigen bij een dam, die hier de Marne afsloot.

Zurich aan noordkant groter

Rienks en Walther menen, dat aan de westkant de oude dijk bij Fiskharne ten noordoosten van Zurich vrij abrupt naar het zuidwesten omboog, om via Zurich verder te lopen. Er valt echter veel voor te zeggen, dat de oorspronkelijke noordelijke dijk vanaf de Riegeweg gewoon in westelijke richting doorliep naar waar nu ten noorden van Zurich de Waddenzee ligt.  Het is waarschijnlijk, dat Zurich dat nu tegen de zeedijk aan ligt geklemd in die tijd ook aan de noordkant nog wel een stuk grondgebied zal hebben gehad. De naam van Zurich (Suder-igge) betekent letterlijk: 'de zuidelijke oever', en dat wil zeggen, dat Zurich zijn naam dankt aan het feit, dat het aan de zuidelijke oever van de Marne lag.

Overstroming verjoeg monniken Vinea Domini

Er is nog een aanwijzing voor de aanwezigheid van een groot nog niet overstroomd gebied ten noorden van Zurich in de tijd voor 1300.  Hier, vlakbij Fiskharne, op de plaats van de boerderij It Sn, lag in die tijd het praemonstratenzer klooster Vinea Domini, ook wel de proostdij 't Zandt genaamd.  Volgens de zestiende-eeuwse kloosterling en pastoor Sibrandus Leo, die een historische kroniek heeft geschreven, zou de overstromingsramp van 1287 de bewoners van Vinea Domini, hebben genoodzaakt te vluchten, waarschijnlijk naar Bolsward. Daar werd een bescheiden onderkomen gebouwd. De Witheerenstraat in deze stad herinnert daar nog altijd aan.

Marne slibde snel dicht

De Marne lijkt vanaf de elfde eeuw snel te zijn dichtgeslibd. Er kon gedeeltelijk over een paar nieuwe kwelderwallen in de Marne een nieuwe dijk worden aangelegd, min of meer parallel lopend aan en circa een kilometer noordelijk van de Penjumer Riege en Nesserlaan. Toen deze polder er eenmaal was, was de Marne een flink stuk smaller geworden. Met het vorderen van de droogleggingen in het achterland zette het dichtslibbingsproces van de geul sterker door. De afdamming van de Marne zou nog voor 1200 zijn beslag hebben gekregen.  Op de plaats waar de zeedijk de geul van de Marne, nu bekend als Bedelaarsvaart, sneed, kwam een uitwateringssluis.

Met de net beschreven dijkaanleg was een groot deel van de waterkeringen, die later tezamen de Gouden Halsband zouden vormen, al ontstaan. Rest nog het zuidelijke gedeelte van de Halsband, het gedeelte tussen Zurich en Kathuizum. Deze binnendijk, die nog voor het grootste deel aanwezig is, loopt niet rechtdoor, maar bestaat uit een groot aantal haaks op elkaar staande stukken.  Dat zou erop kunnen wijzen, dat deze dijk door een aantal, individuele landeigenaren die overlast hadden van het water uit het zuiden, op de grenzen van hun bezit is aangelegd. De aanleg van deze dijk moet worden geplaatst in een tijd, dat de wateroverlast vanuit het zuiden ging toenemen. Daarbij moet met name aan het gebied rondom Wons en Makkum worden gedacht. In deze streek zal wateroverlast een probleem zijn geworden met het ontstaan van de Zuiderzee.

Overstroming van 1825 weerstaan

Een van de laatste wapenfeiten uit de geschiedenis van de Pingjumer Halsband is zonder twijfel, dat de Pingjumer dijk zijn taak goed vervulde bij de laatste overstroming (die van 1825), die Friesland tot dusverre heeft geteisterd. Het gebied van Pingjum bleef droog, toen tijdens de stormvloed van 3 tot 5 februari 1825 een groot deel van Friesland onder water liep.
We weten niet, of de Pingjumers altijd zo gelukkig waren wanneer de dijken weer eens braken. Ook het gebied, dat de Pingjumer Halsband insloot, zal in het verleden niet steeds van het zeewater gevrijwaard zijn gebleven.

De Halsband moet zijn functie van binnendijk rondom Pingjum hebben gekregen in de Middeleeuwen. Zoals we al zagen, hadden de onderscheidene delen van de Halsband oorspronkelijk verschillende functies.  Er waren stukken, die als binnendijk waren aangelegd en er waren ook gedeelten zeedijk bij. Binnen het gebied van de Halsband viel ook het gedeelte van oude Marne bij Witmarsum.  Er waren twee uitwateringszijlen: n in het dorp Witmarsum en n meer naar het noorden, de zogenaamde Arumer Skutelbank.

Het Pingjumer Dijkrecht van 1504

Het  oudste schriftelijke stuk, dat voor de geschiedenis van de Pingjumer Halsband van belang is, is het op 1 april 1504 opgetekende dijkrecht van Pingjum. De Halsband is in dat stuk niet bij naam genoemd, maar uit de geografische vermeldingen valt te maken, dat het gebied wordt bedoeld, dat werd omsloten door de Halsband. De duiding 'Gulden Halsband' komt pas na de zesde eeuw voor. Dat wijst erop, dat de benaming op zich niet zo oud is. De dijk in het stuk van 1504 als 'in dijck' en in de Benefiniaaalboeken van 1543 als 'Indvck.'

Het Pingjumer Dijkrecht van 1504 was opgesteld in samenspraak van de priesters in het dorp en enkele aanzienlijken, te weten Douwa Hiddema, Douwa Abba zoen, Hobbe Buwa zoen en Take Weimarich zoen. Volgens het stuk was er een tollegrietman, die bijgestaan door vier tollen (rechters) besliste over zaken die de dijken betroffen en de dammen, lanen, watergangen, greppels of grenspalen in de weilanden op de grens van eigendommen en ruggen in zaailand. De tollegrietman en zijn mederechters
zagen toe op het nakomen van de voorschriften, waaraan de Pingjumer gemeenschap zich moest houden.
Het stuk uit 1504 bevat vooral boetebepalingen. De tollegrietman behoorde vier dijkschouwingen jaarlijks uit de schrijven.  Wanneer een mederechter zonder verlof van de grietman of zonder aanwijsbare noodzaak niet op kwam dagen, moest een 'Flaemske' boete betalen. De grietman kreeg dat geld. Wie zijn dijk niet herstelde, moest een half pond boete betalen. Dat de inhoud van het stuk om meer ging dan alleen dijkrecht, blijkt uit het feit, dat er ook strafbepalingen in voorkomen tegen eigenaren die een paard schade laten aanrichten 'int noth off in meden' (in het koren of in de weiden).  De monniken van het klooster Vinea Domini mochten pas gaan maaien of door de weilanden rijden als ze toestemming hadden van de tollegrietman of van twee van zijn mederechters.

De dijkinstructie van 1774

Er is verder een dijkinstructie uit 1774. Daarin wordt niet meer gesproken van tollegrietman en tollen.  Wel is er een dijkgraaf, die bijgestaan wordt door twee gedeputeerden en drie gecommiteerden n een schrijver. De verkiezing vond plaats op Paasmaandag in de Pingjumer kerk. Vier van de zes leden van het college voor de Halsband behoren uit Pinjum te komen en twee uit Witmarsum. De dijkgraaf was meestal een Pingjumer. Om de zevende stemming werd een Witmarsumer gekozen.

Eigenaren van de dijk

Belangrijke delen van de Gouden Halsband waren eigendom van de hervormde kerk van Pingjum, onder meer de belde dijkvakken ter weerszijden van het voormalige klooster Vinea Domini. Deze stukken dijk werden 'Griendiken' genoemd.  Het opnieuw verhuren van de dijken van de kerk voor het maaien van het gras vond elk jaar op 27 december in de herberg van Pingjum. Dat was een gebeuren, dat veel belangstelling trok.  Alle volle uren vanaf 's morgens acht tot 's avonds zes sloeg de torenklok 99 maal. 's Middags om drie uur vond de verpachting van het dijkland plaats. De Pingjumer schoolmeester legde de afspraken schriftelijk vast. Na de verhuring werd er getrakteerd en 's avonds was er dansen in de herberg. De laatste keer dat dit Pingjumer winterfeest plaatsvond was in 1881, want daarna heeft de verpachting van de 'Griendiken' steeds bij notarile akte plaatsgevonden.

Voortgaande verwaarlozing

De overstromingsramp van 1825 was mede veroorzaakt door een jarenlange verwaarlozing van de Friese zeedijken in en na de Franse tijd. Na 1825 kreeg de versterking van de zeewering dan ook een hoge prioriteit. Van lieverlede raakte het onderhoud van diverse binnendijken toen op de achtergrond.  Het provinciaal bestuur van Friesland liet dat oogluikend toe, maar toen een zware storm in het begin van 1863 maar net niet tot een ramp leidde, werd er alarm geslagen. Er kwam een provinciale commissie die moest nagaan welke binnendijken van belang waren voor de verdediging tegen overstromingen en welke niet. De Pingjumer Halsband bleek toen sterk verwaarloosd te zijn. Er waren doorgangen door het dijklichaam gegraven voor de aanleg van puinwegen er dwars doorheen. In 1867 bleek er al meer dan dertig jaar niets meer aan toezicht op de dijk te zijn gedaan. Omdat er op dat moment al wat stukken waren afgegraven en er op andere plaatsen doorgangen waren gemaakt, leek de dijk voor de waterkering nauwelijks nut meer te hebben. Op 9 november 1892 hebben de Staten van Friesland besloten tot opheffing van de Pingjumer Halsband als zeewering. 

Hoewel de Pingjumer Halsband al meer dan een eeuw geen functie meer heeft, is een groot deel van het oude dijkenbestand nog steeds intact. De 'Griendiken' zijn overal goed bewaard gebleven. Een belangrijk deel van de zuidelijke dijk, tussen Zurich en Kathuizum, is er nog, en het stuk tussen de Bedelaarsvaart en de aansluiting op de weg Witmarsum-Arum is er nog helemaal.  Maar er zijn helaas ook stukken weg.  Sommige particuliere eigenaren hebben, vooral aan de westkant bij Zurich, flinke stukken afgegraven. Ook de Marnedijk bij Witmarsum, het oostelijke gedeelte van de Pingjumer Halsband, is niet meer in wezen.