Historie Schettens - Longerhouw

deel 38: ds. Jacobus Steenwijk (II)


Vorige maand werd het leven besproken van deze dominee. Nu een artikel over hem uit de Leeuwarder Courant van 8 januari 1977 van de bekende dominee-schrijver ds. Jacob Jetzes Kalma (1907-1991)


Ook vroeger was een ethisch réveil nodig

Er is geen twijfel mogelijk: ds. Jacobus Steenwijk, die van 1685 tot zijn dood op 15 januari 1742 te Longerhouw en Schettens heeft gestaan, is een lastig man geweest. Wij horen niets over zijn leer. Die was dus waarschijnlijk wel in orde, want als men ook maar iets had kunnen vinden, dan zou dat zeker aan het licht zijn gebracht. Hij was beslist niet populair en prikkelde zijn collega's voortdurend. Zo christelijk waren zij nu ook weer niet te Bolsward en omstreken, dat men hem niet graag een hak had willen zetten. De meesten hadden wel iets van de querulant in zich - dat is eigen aan het konfessionalisma - maar er waren grenzen.

Een merkwaardig man overigens, deze Steenwijk. Hij kwam uit de goede stad Dokkum, waar hij 17 februari 1661 gedoopt werd als zoon van de gemeensman, later ook burgemeester Marten Jansz en van Grultie Jacobs Merswal van Schiermonnikoog. Hoe hij aan de naam Steenwijk kwam is duister, maar wij weten dat hij als Jacobus Steenwijk te Franeker (1678) en Groningen (1683)  stond ingeschreven. In dat laatste jaar werd hij kandidaat en dan is er dadelijk al ruzie. Toch lukt het hem in 1685 in de kombinatie Longerhouw-Schettens beroepen te worden waar hij ongehuwd een mensenleven zal verblijven.

Men klaagt er wel eens over, dat somige namen van predikanten niet in de matrikels van de hogescholen voorkomen. Dat hangt samen met hun opleiding. Verschillenden werden namelijk door andere predikanten, die er dus een soort kostschool of een partikuliere akademie op nahielden, klaargestoomd voor de examens. Eén van deze opleiders is Jacobus Steenwijk geweest. Uit het Longerhouwster lidmatenboek is op te maken dat hij minstens twaalf studenten heeft gehad. Zo heeft Steenwijk de stilte van de pastorie wat opgevuld en tegelijk een bron van inkomsten gehad. Zijn ruziezucht zullen wij als bij vele ingezonden stukken-schrijvers, nu voor een deel  moeten verklaren uit een gevoel van onbevredigd zijn en een overvloed aan energie. Dat hij tegelijk een Jantje-precies was zullen de leerlingen lastig hebben gevonden, maar is hun wellicht ten goede gekomen. Als Steenwijk geen goed docent was geweest had hij niet zovele toekomstige leraren afgeleverd.

Hij moet een bezeten Latinist zijn geweest. Rector Johannes Hilarides van Bolsward ervoer dat., toen er in 1703 een "Brief van Jacobus Steenwijk aan Johannes Hilarides" verscheen. "Synde een voorloper van 600 misslagen, die Hilarides begaan heeft in het oversetten van G. Nopos en Pnaedius". Hilarides, die al evenmin veel over zijn kant liet gaat zal het geschrift in één verbazing hebben gelezen. Het is niet bekend dat hij geantwoord heeft en dat zegt wat bij deze zonderlinge veelweter. Maar mischien heeft hij gedacht: het is Steenwijk, die mij aanvalt. Die kennen wij hier te Bolsward. Hem doodzwijgen is het ergste wat men hem kan aandoen. De lezer van het Bolswarder classisboek  weet, dat met de regelmaat van de klok de naam van de Longerhouwster pastor genoemd (wordt).
Steenwijk was namelijk "an angry young man" en hij bleef dat. Tenslotte had hij ook geen vrouw , op wie hij zijn ergernissen kon afreageren. Of hij heeft ruzie met anderen, of, wat vaker voorkomt, anderen hebben het met hem. Dom was hij niet, wij zagen het. Wij ontkomen ook niet aan de indruk dat hij in de kwesties, die er zich rondom hem afspelen, gewoonlijk niet helemaal ongelijk had. Maar wie gelijk heeft wil vaak ook gelijk krijgen. Dat lukte niet altijd; vroeger al evenmin als nu.

Haastige woorden

In het begin  van 1696 heeft ds. Steenwijk een konflikt met de Bolswarder secretaris Benting. L'histoire se repète. Deze heeft Steenwijk al eens eerder dwars gezeten en al was de Longerhouwster sterk in het Latijn, in de christelijke vergevingsgezindheid muntte hij niet uit. Als een rechtgeaard zeventiende eeuwer heeft hij een groot gevoel van eigenwaarde, was hij eerzuchtig en lichtgeraakt en dus haatdragend. Benting heeft hem gehinderd en nu vergeldt hij in "Het vergulden Hert", na het genot van geestrijk vocht, kwaad met kwaad. Hij noemde, zo zegt althans de secretaris, Benting een "schelm" en dat nog wel "nadat se alvoren in dye selve plaetse in alle vryendtschap waren gescheyden". Steenwijk ontkende op de classisvergadering de belediging "rondelyck", maar vertelde toch even, dat Benting aan een juffrouw te Harlingen 34 gulden en 14 stuivers schuldig was en dat hij destijds "onredelyck" had gehandeld door Steenwijk van iets te betichten, dat hij niet waar kon maken.

Het oeroude kerkje van Longerhouw, even westelijk van Bolsward, is in later eeuwen vaak "opgeknapt". Op de mooie preekstoel uit het begin der achttiende eeuw met vijf, rijk gesneden panelen, die de moeite van het bekijken waard zijn, heeft ds. Jacobus Steenwijk, die de kudde daar van 1685-1742 hoedde, zijn preken gehouden. Alle kans, dat hij niet steeds stichtte.

De classis is er ook nu weer mee verlegen. De zaak is - wij moeten zeggen: natuurlijk - ook al weer bij de burgerlijke rechter. Dat mocht eigenlijk niet onder lidmaten, maar hoe gaat dat? Er waren in die eeuw vele advokaten en die moesten toch ook emplooi hebben. De classis houdt zich dus maar buiten. Er is echter ook een kerkelijke kant en het is wel duidelijk: Steenwijk heeft te veel gezegd. "Dewylle soodanige bejegeningen te doen geen leeraer betaemt" wordt Steenwijk "eernstelyck" vermaand "om in 't toecomende met de mond voorsichtiger te syn, soo omtrent Bentingh als andere personen". De laatste toevoeging schijnt overbodig, maar is dat niet.

Wij horen in de kerkboeken vaak, dat iemand "haestige woorden" heeft gebezigd. De brief van Jacobus met zijn waarschuwing tegen het gebruik van de tong stond wel in de canon, maar was in die dagen minder bekend dan het woord van Paulus over het kwade, dat de mens niet wil en toch, soms zelfs bewust, doet. Bovendien zopen de heren al evenveel als tegenwoordig en dat had wel eens gevolgen op de weg door het leven.

In ieder geval werd Steenwijk ook na de classikale reprimande, niet voorzichtiger. Men is geneigd te zeggen: integendeel. Daar zaten in het nabije Bolsward meer mensen die hij niet kon luchten. Je zou haast denken, dat de dorpsdominee iets tegen de stad heeft gehad. Onder anderen woonde te Bolsward ds. Jacobus de Kempenaer. Deze was jonger dan Steenwijk en, na een paar te Pingjum te hebben gestaan, zo maar te Bolsward beroepen. Ook met hem had Steenwijk al het een en ander beleefd. Het is, vooral als de mensen je meer interesseren dan wat zij leren en vaak liegen, vreselijk verleidelijk, om van de geschiedenis een "chronique scandaleuse" te maken. Wij weerstaan de verleiding om te vertellen, hoe de dwarsligger Steenwijk de man van het "establishment" De Kempenaer al eens te pakken had gehad. Als de lezer maar weet, dat Steenwijk had duidelijk gemaakt, dat het bij de populaire De Kempenaer een zaak was van "Hoor naar mijn woorden, zie niet naar mijn daden". De Kempenaer deed het allemaal wat rustiger dan Steenwijk, hij was beheerster en deftiger - hij bracht het dan ook tot predikant in Den Haag (1706-1726) - maar in wezen deed hij voor de boerendominee van Longerhouw niet onder. Deze wachtte op een nieuwe kans en hij had in het kleine dorp gelegenheid genoeg om iets uit te broeden.

De Amsterdammer De Kempenaer had natuurlijk kontakt met zijn geboortestad en Holland. Het jaar daarop vertrok hij ook metterwoon naar Haarlem. Steenwijk zal niet hebben geweten van de oorsprong van de familie De Kempenaer uit een verhouding van een zestiende eeuwse priester met een onbekende vrouw. Maar Steenwijk had wel fantasie. Wat gebeurt er niet allemaal op zo'n snoepreisje naar zo'n grote stad als Amsterdam? Welke geheimen worden niet tussen de muren bewaard? Er waren in die dagen vele zuip- en praathuisjes en er was het trekschip en je deed ook toen al wat, om de tijd te doden.

De gevolgen laten zich raden. Op de classisvergadering van 6 juli 1696  horen wij "dat door een broeder iets tot laster van een ander in 't trekschip zou besproken zyn". De Classis beveelt onderzoek, maar komt er op 3 augustus niet uit. De 7de september levert echter De Kempenaer verscheidene attestaties over, waarin "grouwelyke lasteringen etc. van D. Steenwijk  tegen D. Kempenaer uitgesproken te zyn in verscheiden tyden en gelegentheden, door geloofweerdige persoenen getuigt wort". Steenwijk is er zelf niet. Hij was wel geciteerd, maar had doodleuk per brief meegedeeld, dat hij toekomende maal meende te komen. " 't welck als een bespottinge van de Eerw. classis een eernstige bestraffing weerdig geoordeeld is". Maar Steenwijk deed meer. Hij gaf zo terloops ook zijn collega Jacobus Ecoma, een lotgenoot, die van 1685-1745 te Tsjerkwerd stond, een veeg uit de pan. Ook met hem had Steenwijk een appeltje te schillen. De Classis achtte deze zaak echter "t'ene  maal ontijdig en uit enkel wraaklust voorkomende". Je moet de zaken niet ingewikkelder maken dan ze al zijn. Dat geldt nu, maar het gold zelfs al in die dagen, toen alles nog wat overzichtelijker was.

Onbetamelijk

Wij blijven even in het ongewisse welke laster Steenwijk heeft rondgestrooid, maar vernemen wel, dat de Classis zo langzamerhand schoon genoeg had van de 'gossip', waarmee Steenwijk Jan en alleman onderhield. "Bi dese gelegenheid is ook voorgekomen, dat D. Steenwijk doorgaans gewoon is 't Eerw. Classis 't klaghuis te noemen bi een iegelyk en dat hi souw bi dese gelegentheit gesegt hebben, nu eens te sullen toonen wat volk 't is, die daar in sitten, 't welk, als gans onbetaamlyk voor een lid der vergaderinge, bi naaste geleegenheid eernstig in voorseyde D. Steenwyk sal berispt worden". De majesteit van de Classis is geschonden. Hij heeft nota bene de Classis een "klaaghuis" genoemd. De Classis nam veel, maar dit kon niet geduld worden.

Klachtenbureau

Men moge ons gebrek aan objektiviteit verwijten, maar wat dat "klaaghuis" betreft had Steenwijk wel een beetje gelijk. Ik had wel eens in het hart van dr. Ruardus Andela, de latere professor, willen kijken, toen dit gezegd werd. Er moet bij allen even het gevoel zijn geweest: Hier raakt hij de spijker precies op de kop. Het is jammer, maar waar. De Classishad zich juist maandenlang onledig gehouden met, ja ook met de bedgeheimen van ds. Johannes Titama, die van Ameland was weggestuurd en uit Bolsward afkomstig was. Ze hadden gezemeld over de beloning van de canonicus, de man, die het kerkelijk wetboek bijhield. Ds. Burman van Koudum was gekomen met het verhaal van een vrouw, die met een Menniste man was getrouwd en hoe dat nu moest, enz. enz. O ja, ze namen ernstig examen af en trachtten vrede te stichten, als de dominees op hun dorpen eens weer in de knoei zaten. De Classis deed meer goeie dingen. Op haar manier was ze permanent bezig met wat toen nog geen "ethisch réveil" heette, maar het wel was. Er waren echter vele vergaderingen, dat het nergens naar leek. De romeinen wisten het reeds: "Senatores boni viri, senatus vera bestia", de senatoren mogen goede jongens zijn, "most honourable men", de senaat zelf was een wild dier. Maar zo iets zeg je toch niet. In veel later tijd zou een ex-dominee Dominee Nieuwenhuis uit den treure herhalen, dat in het woord parlement de Franse woorden "parler" en "mentir", kletsen en liegen, schuil gingen. De kan waar zijn, maar je moet het niet zeggen.

Hoe het echter ook zij, wat Steenwijk nu had uitgespookt ging te ver en dus kwam er 5 oktober 1696 een ouderwetse vergadering met een groot aantal getuigen. Wij zullen ze niet allen noemen. Wij weten niet, of Steenwijk heeft voorzien, dat het op een schorsing voor korte tijd zou uitlopen en of hij , had hij dit geweten, zo ver was gegaan. Hij bereikte in elk geval, dat het verhaal over De Kempenaer in duidelijke woorden in het classisboek staat en.....dat hij, Steenwijk zelf, ook nog de mooie rol gaat spelen. De mensen zeiden nu wel, dat hij, Steenwijk, in het trekschip had verklaard, dat De Kempenaer in Amsterdam een tweede vrouw had, bij wie hij een kind had verwekt, maar niets was minder waar. Hij had zo iets niet gezegd, nee, hij had het enkel gehad over zekere geruchten, die er liepen, "zoo hy dat in censura morum voorstelde, hoe soude hem dat smerten, als men hem nae Amsterdam sond, dat hy daer misschien ook wel wat soude vinden". Geen koe noemt men bont of er is een vlekje aan.

Boetepredikatie

Maar de Classis trapte er niet in. Zij zocht de zaak tot op de bodem uit, liet geen genade voor recht gelden en veroordeelde Steenwijk, om èn aan ds. De Kempenaer èn aan de Classis èn te Bolsward schuldbelijdenis te doen. Hij moest bovendien beloven, om De Kempenaer en anderen voortaan niet meer te belasteren. Ds. Onias Jorna, overigens ook iemand met boter op zijn hoofd, moest te Longerhouw een boetepredikatie houden, waarin het gedrag van Steenwijk werd uitgeschilderd.

Dat laatste is ook inderdaad gebeurd met tot gevolg, dat Steenwijk op 1 april 1697 met een klacht tegen Jorna kwam. Die zou "de last van den classis te buiten gegaan zijn, mits te veel in syn toepassinge particulariserende ". Jorna zal hebben gedacht: ik heb nu een kans, laat ik er gebruik van maken. Heb ikzelf wel eens een fout begaan, Steenwijk ook. Als ik die fouten nu eens bloemrijk schilder, wie weet hoe mooi de Longerhouwsters het zullen vinden.

De Classis vond het echter nu welletjes. Het is toch geen "klaaghuis" te Bolsward ? "Doch is dese sake voor gesleten gekeurt". Dat dachten zij, dat hoopten zij althans. Maar dan kenden ze de "neinimmende" Steenwijk niet. In de Leeuwarder Courant stond na de laatste oorlog eens in een In Memoriam: "Hy wie een Fries en hy libbe derneffens". Dat gold ook voor de Friezen rond 1700 en speciaal voor broeder Steenwijk. Nee, men praatte toen nog niet van een ethisch réveil, men liet het zelfs voorkomen, alsof men door Christus' genade elke dag opnieuw in volle vrede kon leven en in de blijdschap van het geloof. Het is soms ook maar beter niet van een réveil te praten. Staat er ook niet in de Heidelberger Catechismus, behalve dat de paapse mis een vervloekte afgoderij is dat in de mens "slechts een klein beginsel der gehoorzaamheid heeft?  Ja nodig is het wel. Dat was het toen - en vandaar bovenstaand verhaal - het is nu al evenzeer nodig. Als men maar niet vergeet, dat de mens geneigd is tot alle kwaad.

J.J. Kalma


André A. Buwalda
e-mail: fam.aabuwalda@home.nl
HOMEPAGE: www.andrebuwalda.nl