Historie Schettens - Longerhouw

deel 191: De mislukte grietmansverkiezing van Schelte, deel III


 

In de vorige twee afleveringen lazen we over de strijd om het grietmansambt van Wonseradeel in 1623. Zowel Schelte van Aysma, Tjaard van Aylva, Johan van Herema en Frans van Jongema dongen mee naar de gunst van de kiezer.

 

In het boek 'Gulden Vrijheid' - Politieke cultuur en staatsvorming in Friesland, 1600-1640 geschreven in 2012 door Hotso Spanninga staat e.e.a. beschreven over deze gebeurtenis.
Hieronder het tweede deel van de letterlijke tekst.


 

[....]

 

Twintig inwoners van Wons, ‘gemeene Gemeente ende ingesetenen’, verklaarden op diens verzoek Tjaard van Aylva in de derde stem 72 te zullen brengen in de verkiezing van de nominatie van het grietmansambt. Zeven van hen zijn terug te vinden in het stemkohier van 1640, allen als gebruiker. Zeven andere ‘ingesetene ende schotschietende gemeentsluijden’ van Wons waren ook gestrikt door Aylva en beloofden hem hun stem. Twee waren volgens het kohier gebruiker en één was gebruiker en tevens eigenaar. De gebruikers stond het dus vrij zonder vooroverleg met de eigenaren het stemrecht uit te oefenen. En dan zijn er nog twee verklaringen van Wonserders dat dorpsgenoten, een echtpaar, zich eveneens hadden laten ‘gebruijcken’ door Aylva, maar ‘geen schotschietende persoonen sijn in Wons’ oftewel ‘geen schotschietende huijsen zijn bewonende’ en ook in het verleden niet hadden gestemd.73

Toen de grietmansverkiezing van Wonseradeel ophanden was, had raadsheer Gellius van Hillema zijn meiers in die grietenij (waarschijnlijk waren het er zes 74) via de secretaris van Bolsward opdracht gegeven om Frans van Jongema en Tjaard van Aylva te nomineren. Daaraan was door alle meiers voldaan, behalve door Baucke Sijercxs Rommerta en zijn vrouw Trijn Rijenxdochter te Pingjum, die ‘ter contrarie’ hadden gehandeld.75

Er waren eigenaars in Wonseradeel (er is één geval bekend) die uit de kuiperij om het grietmansambt kennelijk tot de ervaring waren gekomen dat het stemrecht te waardevol was om aan de meier over te laten, maar ook dat het moeilijk was om de meier in stemrechtzaken naar hun pijpen te laten dansen. In huurcontracten van vóór 1640 werden, voor zover we kunnen nagaan, nooit bepalingen opgenomen omtrent het stemrecht.76

In het dorp Pingjum werd echter in februari 1624 voor drie jaar een huis met landerijen verhuurd aan de zittende huurders, onder de bepaling dat de verhuurders gedurende de pachtperiode ‘de stemminge van dese plaets aen hen beholden, sonder dat den huirder tot hun preiuditie enige stemmen sal moghen geven’. Wanneer het vanzelf had gesproken dat het stemrecht uitsluitend voorbehouden was aan de eigenaars, was deze expliciete en uitzonderlijke bepaling in het huurcontract overbodig geweest.77

Dat de eigenaar bepaalde op wie er gestemd werd en niet de meier, was ook in 1638 nog geen vanzelfsprekende zaak. In dat jaar liet de edelman Pieter van Walta zijn meiers in zowel Oostergo als Westergo weten dat zij zich in het ‘nomineren ende stemmen’ van volmachten moesten ‘reguleren ende refermeren’ aan zijn neef Tjaard van Walta, ‘sonder tegens sijn wille haer te laten gebruijcken, maer in alles te doen nae sijn wille ende welgevallen’. Wanneer zij dit niet deden, zouden zij ‘verfallen in mijn ongunste’.78 Gezien de sterke positie van pachters ten opzichte van hun landheren is het de vraag of deze boterzachte sanctie voldoende was om de meiers te laten gehoorzamen.

Duidelijk is dat een eigenaar als Walta voor de uitoefening van het stemrecht in feite afhankelijk was van de welwillendheid van zijn meiers en dat zij onder druk moesten worden gezet om hun stem af te staan. Een meier kon het met behulp van zijn landheer zelfs tot volmacht ten Landdage schoppen. Zo kwam Ernst Casimir tijdens de vergadering van Gedeputeerde Staten over de toelating van volmachten tot de Landdag (de ‘visitatie van de procuraties’) van 1621 ter ore dat Remmert Reitzes, eigenerfde volmacht voor Dantumadeel, ‘dependeert van Dauwe Alua, also hi eene sate landes van Dauwe Alua in huire heeft’.79

[slot]


Hieronder nog 2 noten die op de Osinga-Aysma familie betrekking hebben:

 

63 In Gysbert Japix’ Friesche Tjerne, æf Een Friesche Brullofts-Praet, Fen Huwz-Man Tjerne-Maet (Bruiloftskout van landman Tjerne bij het huwelijksfeest van zijn landheer) uit 1640 komt een verwijzing voor naar de kuiperij om het grietmansambt in Wonseradeel in 1623: ‘Dy Dekers yens! allijck is ’t Brulloftjen az ’t kuwppjen, Er’n da uwz Gritman stoar, ho ging it op in suwppjen, In op in Ytten Snjeons?’ (‘Verdraaid, het bruiloften is één van aard met kuipen! Lest toen de grietman stierf, hoe ging het op een zuipen en op een schransen soms!’ [soms= zaterdags, H.S.], vert. D.A. Tamminga); Breuker e.a., Gysbert Japix, 38-39; Breuker, It wurk II, 306, 309-310. Tjerne had als huurboer volgens Breuker geen stemrecht; ibidem, 309.
64 Wanneer hij niet in zijn opzet slaagt, zo schrijft Schelte van Aysma op 9 nov. 1623 aan Dirck Dibbets, secretaris van de stadhouder, dan zal hij ‘aparentelijck een groote aantal van duisenden ... moeten verliesen’ en ‘ontsie ick mij groote vergeefse oncosten [doorgehaald: van cuperije, H.S.] aen te wenden ende van argh tot argher te loopen’; TR, SHA inv.nr. 456.

 


André A. Buwalda
e-mail:
fam.aabuwalda@home.nl
HOMEPAGE:
www.andrebuwalda.nl