Historie Schettens - Longerhouw

deel 165: Armengoederen en Armbesturen in Friesland, deel II


In 1902 verscheen bij uitgeverij Meijer & Schaafsma te Leeuwarden, een boekwerkje genaamd 'Armengoederen en armbesturen in Friesland (van de 14e eeuw tot heden), historisch-juridische schets'. Dit boekje was geschreven door de belangrijke historicus en jurist Pieter (P.C.J.A.) Boeles  te Leeuwarden. In dit boekje is voor het dorp Schettens een interessante rol weggelegd. Ik denk dat daarvoor twee redenen zijn aan te wijzen. In de eerste plaats was er net een rechtzaak geweest tussen de kerkvoogden van Schettens (toen nog zelfstandig!) en de diaconie van Schettens-Longerhouw. In ons eigen archief is hiervan veel bewaard gebleven overigens. Dit proces had uiteraard de grote belangstelling van jurist Boeles, die dit mooi kon gebruiken voor zijn onderzoek. Verder kon Boeles gebruik maken van het vanaf 1605 aanwezige Schettenser archief, in tegenstelling tot vele andere dorpen waar veel minder bewaard is gebleven. In 1906 werd het gehele onderzoek nogmaals opgenomen in het periodiek 'De Vrije Fries', waarvan hieronder de gedeeltes volgen waarin Schettens behandeld wordt. Nu deel twee.


Armengoederen en Armbesturen in Friesland
(van de 14e eeuw tot heden)

Historisch-Juridische schets
door Mr. P.C.J.A. Boeles
advocaat en Procureur te Leeuwarden

Uit: De Vrije Fries, 1906

Pagina 130-132

Schettens.

Geheel anders ging het te Schettens. Wij zagen boven, dat de kerkvoogdij aldaar tevens als algemeene armvoogdij fungeerde. Daar men zich echter nooit anders dan kerkvoogd noemde, werd de publicatie van 8 Februari 1805 3) niet toegepast. Ten onrechte, want er was hier eene combinatie van kerk- en armvoogdij, dus hadden beurtelings de hervormde floreenplichtigen en de hoofden van huisgezinnen, zonder onderscheid van religie, moeten optreden. Men treft evenwel altijd alleen de hervormde floreenplichtigen aan. Hoogst verrassend is het nu, om, waar in de rekeningen van 1605 af tot 1868 toe, nooit anders gesproken wordt dan van kerkvoogden" uit de stukken van het bovengenoemde proces te vernemen, dat er den 22 April 1815 eene som van f 2100 op het grootboek ingeschreven werd „ten n a m e van de a r m v o o g d i j van de  g e r e f o r m e e r d e g e m e e n t e  te  S c h e t t e n s ," van welke obligatie de rente steeds door kerkvoogden verantwoord wordt en ook het stuk zelf komt in de rekeningen voor, waar het geheel met de andere baten der kerkvoogdij op één lijn gesteld wordt. Iets dergelijks had plaats in 1827 en 1842, terwijl er bovendien inschrijvingen waren op naam van de Nederduitsch Herv. Gemeente te Schettens. Het behoeft geen betoog, dat dergelijke abnormaliteiten tot misverstand moesten leiden en eene armvoogdij eener gereformeerde (hervormde) gemeente mag naast de diaconie van diezelfde gereformeerde gemeente stellig eene onmogelijke rechtsfiguur genoemd worden. Hoewel men dus in 1815 niet meer wist, dat de kerkvoogdij tevens burgerlijk armbestuur was, toch fungeerde ze als zoodanig tot 1825. In de rekening over 1 Nov. 1824 tot 30 Dec. 1825 worden er niet, zooals in vorige jaren uitkeeringen aan bepaalde armen vermeld, maar wordt geboekt eene uitgave van f 132.50 als subsidie aan de armvoogden. Blijkbaar was er toen een afzonderlijk algemeen armbestuur ingesteld. Van 1831 —1849 vind ik weer specifieke uitgaven voor bepaalde armen, in 1848 zelfs ten bedrage van f 656.32, terwijl, waar dit onder de gewone uitgaven geboekt is, er bovendien sinds 1846 als buitengewone uitgave f 100 subsidie gegeven werd aan de diakens van Schettens (gecombineerd met Longerhouw). Na 1849 worden weer de „Algemeene arm voogden" gesubsidieerd en zoo ging het nog in 1868, hoewel de subsidie toen reeds tot f 300 geslonken was en de diakens niets meer ontvingen. Na 1849 kan er van eene kerk-armvoogdij geen sprake meer zijn 1), en na 1870 is er volgens de gedingtalen weinig meer gesubsidieerd en bijna alles aan het burgerlijk armbestuur overgelaten.

De gelden, die vroeger voor de armen besteed waren, zouden dus rustig in de maag der kerkvoogdij verdwenen zijn, indien niet nog altijd de „ armvoogdij der gereformeerde gemeente te Schettens'" in het grootboek gestaan had. Kerkvoogden inden, zooals wij vermeldden, de renten van die grootboek-inschrijvingen; in 1891 moest de renteprocuratie vernieuwd worden en er werd een brief geschreven aan den armvoogd der gereformeerde gemeente van Schettens. De postbode kon den man niet vinden, ging naar den burgerlijken armvoogd, die hem weer verwees naar een diaken. Een gevolg hiervan was, dat de kerkeraad van de gecombineerde gemeente Longerhouw en Schettens, met eenige sanctie van hoogere kerkelijke besturen, aan de Directie van het grootboek verzocht, de bekende inschrijvingen over te boeken op naam van de diaconie van Longerhouw en Schettens, hetgeen geschiedde, nadat nog het gemeentebestuur van Wonseradeel — zeer ten onrechte — verklaard had, dat deze diaconie en de armvoogdij van de gereformeerde gemeente van Schettens één en hetzelfde lichaam waren. Kerkvoogden zijn hiertegen opgekomen en bij het aangehaalde vonnis (Pal. v. Just. 1901 no. 6   2)  in het gelijk gesteld.

De wenschelijkheid van toezicht op stichtingen.

Tot dergelijke toestanden moest leiden de gebrekkige scheiding van Kerk en Staat, de slechte afbakening van de zoo verschillende arbeidsvelden der zoogenaamde kerkvoogdij. Niet dat zulk eene administratie altijd slecht moet werken; want te Schettens werden, althans tot 1869, de inkomsten der kerkvoogdij uitstekend besteed, zooals blijkt uit de hooge subsidiën aan de algemeene arm voogden en soms aan diakens verstrekt.  Te Schettens b. v. heeft men nu „vrij beheer", dus volkomen gemis aan openbaarheid van de administratie, en geen toezicht van overheidswege kan er uitgeoefend worden op deze kerkvoogdij, die b.v. in 1823 eene geheel nieuwe school liet bouwen en behalve de subsidie aan de algemeene armen, het jaarlijks tractement van den onderwijzer, tevens koster en voorzanger, betaalde, dat b. v. in 1868, 250 gulden bedroeg. Artikel 43 van de wet op het lager onderwijs bepaalt alleen „elke gemeente voorziet in de kosten van haar lager onderwijs, voor zoover die niet, komen ten laste van anderen of op andere wijze worden gevonden." Geheel onbedenkelijk is dit niet, waar reeds voor 1869 op sommige plaatsen kerkvoogden en floreenplichtigen, schoolgebouwen en onderwijzerswoningen aan het openbaar onderwijs onttrokken, zoodat er van gemeentewege eene nieuwe school opgericht moest worden, tractementen betaald enz.

1) Hierbij komt de bepaling van wet van 1870, art, 7, alin. 5 „de kerkelijke of bijzondere instellingen, voor welke de gevorderde mededeeling (betreffende de inrichting en het bestuur der instelling) niet binnen de gestelde termijnen geschiedt, missen van het oogenblik van het verstrijken dier termijnen af, totdat zij plaats heeft, de bevoegdheid, bij art. 1691 van het Burg. Wetboek aan zedelijke lichamen toegekend, tot het aangaan van burgerlijke handelingen. Voor reeds bestaande instellingen was de termijn 6 maanden na het in werking treden dor wet."

2). Ook is mij een geval bekend, dat kerkvoogden uit hunne overvloedige inkomsten een p l a n t s o e n hebben aangelegd.

3). Een nieuwe publicatie van 8 Febr. 1805 bepaalde nu dat in dorpen, waar de kerk- en armvoogdij gecombineerd was, beurtelings moesten worden opgeroepen de de gereformeerde floreenplichtigen en de hoofden van huisgezinnen zonder onderscheid van religie, die een zeker bedrag aan belasting betaalden. Hiermede was duidelijk aangetoond dat de kerkvoogdijbeurs op plaatsen, waar uit dat fonds de algemene armen ondersteund werden, was een gemengd fonds, waarop gedeeltelijk de kerkelijke, gedeeltelijk de burgerlijke gemeente (dorp) rechten kon doen gelden. Zoo bleef de zaak wat voortsukkelen en bleef de noodzakelijke scheiding van kerk en staat voorlopig achterwege.

 

Bronnen
http://nl.wikipedia.org/wiki/Pieter_Boeles_(1873-1961)
http://images.tresoar.nl/wumkes/periodieken/dvf/dvf-0280-1906-20.pdf

Wordt vervolgd


André A. Buwalda
e-mail: fam.aabuwalda@home.nl
HOMEPAGE: www.andrebuwalda.nl