Historie Schettens - Longerhouw

deel 164: Armengoederen en Armbesturen in Friesland, deel I


In 1902 verscheen bij uitgeverij Meijer & Schaafsma te Leeuwarden, een boekwerkje genaamd 'Armengoederen en armbesturen in Friesland (van de 14e eeuw tot heden), historisch-juridische schets'. Dit boekje was geschreven door de belangrijke historicus en jurist Pieter (P.C.J.A.) Boeles  te Leeuwarden. In dit boekje is voor het dorp Schettens een interessante rol weggelegd. Ik denk dat daarvoor twee redenen zijn aan te wijzen. In de eerste plaats was er net een rechtzaak geweest tussen de kerkvoogden van Schettens (toen nog zelfstandig!) en de diaconie van Schettens-Longerhouw. In ons eigen archief is hiervan veel bewaard gebleven overigens. Dit proces had uiteraard de grote belangstelling van jurist Boeles, die dit mooi kon gebruiken voor zijn onderzoek. Verder kon Boeles gebruik maken van het vanaf 1605 aanwezige Schettenser archief, in tegenstelling tot vele andere dorpen waar veel minder bewaard is gebleven. In 1906 werd het gehele onderzoek nogmaals opgenomen in het periodiek 'De Vrije Fries', waarvan hieronder de gedeeltes volgen waarin Schettens behandeld wordt.


Armengoederen en Armbesturen in Friesland
(van de 14e eeuw tot heden)

Historisch-Juridische schets
door Mr. P.C.J.A. Boeles
advocaat en Procureur te Leeuwarden

Uit: De Vrije Fries, 1906

Pagina 101-103

Schettens.

Van Schettens, een dorp in Wonseradeel, dat onlangs de aandacht op zich gevestigd heeft door het tusschen kerkvoogden en diaconie gevoerde proces (Pal. v. Just. 1901, n°. 63), kon ik de rekeningen nagaan van 10 Juni 1605 af tot en met 1868  1).  Waar ik in het laatste gedeelte van deze schets, de 19° eeuwsche geschiedenis van genoemde kerk-armvoogdij zal behandelen, dient hier iets vooraf te gaan omtrent de 17e en 18e eeuw.
In het „register van den aanbreng van 1511" 2) komt wel iets voor over andere dorpen van Wonseradeel, maar niets over Schettens ; volgens de „beneficiaalboeken" d. i. dus omstreeks 1543, waren er te Schettens slechts kerke- of patroons- en pastoriegoederen en in eenen inventaris van Juni 1611, voorkomende in het oudste kerkeboek, worden ook alleen patroonsgoederen opgegeven. Eveneens meldt de oudste rekening (1605 —1608) alleen inkomsten uit de kerkegoederen en uit de pastoralia, die tengevolge eener vacature tijdelijk door kerkvoogden beheerd werden. Toch zijn er volgens summiere opgave uitgaven gedaan voor : reparatiën van de kerke, pastorye en schoolmeester- huizinge , schoolrneester-gagie, leydekker, aelmoesen enz. en de rendanten heeten „k e r k v o o g t  e n d e  ad m i n i s t r a t e u r va n de k e r k e   e n d e  g e e s t e l y c k e g o e d e r e n tot Schettens"; terwijl er ook in de, in 1617, gedane verantwoording gesproken wordt van zekere drie pondematen voormaals door den schoolmeester gebruikt, waaruit alweer blijkt, dat de inventaris van 1611 onvolledig was. Wij zien dan hoe er reeds blijkens de oudste rekening gelden voor aalmoezen besteed zijn, die genomen werden uit de opkomsten der kerkelijke goederen, want er werden van de Staten van Friesland geene armegelden of subsidiën ontvangen en de rekening van 1617—1624 spreekt herhaaldelijk van uitgegeven en elders gespecificeerde armegelden en meer bepaald van : „aan blinde Hendrik en andere armen."

In de 18e eeuw krijgen wij nauwkeuriger berichten omtrent bedeelden. In 1708 en volgende jaren wordt o. a. weekgeld en ander onderhoud voor een zekeren Sjoerd Douwes in rekening gebracht. Terzelfder tijd begint ook de jaarlijksche ontvangst van oortjesgelden 3)  gewoonlijk tusschen de dertig en veertig gulden, hetgeen echter nog maar de helft was van hetgeen er in die tijden voor de armen betaald werd. Is het ontvangen van oortjesgelden een bewijs, dat kerkvoogden beschouwd werden als armvoogden, ten duidelijkste blijkt dat bovendien uit een geschil tusschen deze kerkvoogden en de diakens van Schettens, over het onderhoud van eenige weezen, wier ouders beide lidmaat te Schettens geweest waren. De aan weerszijden ingewonnen, gedeeltelijk nog voorhandene, juridische adviezen verschilden en de zaak leidde tot een proces. Ik zag althans de dagvaarding van 18 Sept. 1753 4). Ook in dit geschil heeten de kerkvoogden nog altijd kerkvoogden, maar het is nu duidelijk, dat ze tevens fungeerden als a l g e m e e n arm- be s t u u r en dat niet uit liefhebberij, maar uit verplichting, anders zou er van een proces geen sprake kunnen zijn. Den 31 Jan. 1794 wordt voor de laatste maal melding gemaakt van oortjesgelden tot een bedrag van 9 gulden 14 st. 5), dat ook in de vorige jaren ontvangen was. Er werd oneindig veel meer voor de armenzorg gegeven, zoodat verplichting om de armen te onderhouden, niet met het ontvangen van het oortjesgeld in verband stond. De schoolmeester ontving in de tweede helft der 18° eeuw zestig carolus gulden tractement (uit de kerkebeurs) en zoo blijkt de kerkvoogdij van Schettens eene zelfde positie in te nemen, als die van Roordahuizum, al waren er daar oorspronkelijk ook meer beneficiale goederen. Beide kerkvoogdijen fungeerden als burgerlijk armbestuur en het eenige verschil was, dat de één en ondeelbaar geworden kerkebeurs op de eene plaats beter gespekt was dan op de andere.

Noten:

1) Deze rekeningen, die ten gemeentehuize van Wonseradeel berusten, werden door den heer burgemeester te mijner beschikking gesteld. Hiervan dient te worden uitgezonderd het. rekeningboek van 1774 —1824, dat ik dank aan de welwillendheid van de Kerkvoogden van Schettens.

2) Register v. d. aanbreng van 1511, uitgegeven door het Friesch Genootschap, Dl. II, pag. 17 v.v.

3) De oortjesgelden, eene regeeringssubsidie, danken hun ontstaan aan eene Staatsresolutie van 15 April 1590 bepalende: „Van de stuivergelden door de pachters van ieder gulden hunner pachtpenningen betaald, een oortje te employerern ten profyte van'. de armen ter plaatse daar de verpachting geschiedt." Zie Chalmot in voce „oortjesgelden". De grietslieden deelden do oortjesgelden uit, aan diakens of burgerlijke armbesturen. Vgl. v. Sloeten t. a. p. III (1892). 

4) Eenige tot deze zaak betrekkelijke losse stukken, waaronder de juridische adviezen, bevinden zich ter Secretarie van Wonseradeel, inventaris, 22e afd. no. 34.

5) Feitelijk werd het oortjesgeld, zij het niet bij name genoemd, voor het allerlaatst den 4 Maart 1796 ontvangen, uit handen van het Geregt van Wonseradeel.

 

Bronnen
http://nl.wikipedia.org/wiki/Pieter_Boeles_(1873-1961)
http://images.tresoar.nl/wumkes/periodieken/dvf/dvf-0280-1906-20.pdf

Wordt vervolgd


André A. Buwalda
e-mail: fam.aabuwalda@home.nl
HOMEPAGE: www.andrebuwalda.nl