Historie Schettens - Longerhouw

deel 141: Binnendiken en Slieperdiken, deel I


In 1954 werd er een dikke pil geschreven over de oude binnendijken van Friesland. Schrijvers waren de ingenieurs K.A. Rienks en G.L. Walther die deze prijsvraag hadden gewonnen, welke uitgeschreven was door de Fryske Akademy uit Leeuwarden. Het geheel bestaat uit twee delen: een boek van zo'n 550 pagina's en een daarbij behorende atlas, waarin de situaties van de vele dijken met plaatjes werd verduidelijkt. Het boek geldt nog steeds als standaardwerk en is een belangrijke bron op onderzoeken op dit gebied.
Hoofdstuk XII (12) gaat over de Marnedijk, die voor onze dorpen zo'n belangrijke rol heeft gespeeld door de eeuwen heen. Omdat het boek in het Fries is geschreven, is dit stuk dus letterlijk overgenomen in deze taal. Alleen de inleiding is in het Nederland, welke hier als in deze eerste aflevering volgt:


Haedstik XII

DE MARNEDYK

De Marnedijk beschermde dorpsgebieden in het noordoosten van Wonseradeel en stadsgebied van Bolward, benevens buiten de Slachte gelegen land van Hennaarderadeel en Franekeradeel. Hij rustte met beide uiteinden op de Slachte, nl. aan de noordoostzijde te Klieuw bij Hidaard en aan de noordwestkant bij de Abe Heeringazijl onder het behoor van Achlum.
De totstandkoming van deze binnendijk wordt, evenals die van de Slachte, op de 12e eeuw gedateerd; hij is eveneens uit oude zeepolderdijken en nieuwe dijkvakken opgebouwd. Tot de eersten behoorden o.a. de zuidelijke waterkering van de polder Hartwerd-Witmarsum en een gedeelte van de polderdijk ten noorden van Pingjum, tot de laatsten de Groene Dijk bij Witmarsum en de Arumer Groenedijk, die de verbinding met de Slachte bij Achlum vormde.

In het beheer speelde de grietman van Wonseradeel steeds een belangrijke rol; hij werd daarin bijgestaan door de volmachten van de dorpen en de stad. Na de 16e eeuw kan van een permanent dijksbestuur over de Marnedijk bezwaarlijk worden gesproken. Alleen wanneer verhogingen noodzakelijk waren, riep de grietman de volmachten bijeen om te overleggen op welke wijze de dijk in waterkerende staat moest worden gebracht. In het oostelijk gebied, de Dieperderhem, dat een min of meer zelfstandige positie innam, traden echter gecommitteerden op, hetgeen op de aanwezigheid van een dijksbestuur aldaar wijst.

Onderhoudsplichtig aan de dijk was het beschermde land, behorende tot de dorpen Hartwerd, Oldeklooster en Oegeklooster (beide kloosterdorpen), Burgwerd, Hichtum, Schettens, Witmarsum, Lollum en Arum in Wonseradeel, de stad Bolsward en de buiten de Slachte gelegen dorpsgebieden van Hidaard, Wommels, Kubaard en Waaxens in Hennaarderadeel en Achlum in Franekeradeel.

Het oudst bekende stuk op het beheer van de binnendijk betrekking hebbende, is een overeenkomst van 1539 tussen de volmachten van de dorpen, de stad en de beide kloosters. Besloten werd de dijk te verhogen; de grietman en drie vooraanstaande ingezetenen werden aangewezen om deze te schouwen en gemachtigd zonodig boeten op te leggen. Het contract gold voor de tijd van drie jaar.

In 1551 werd een ordonnantie en accoord voor het herstel van de Marnedijk door een gecommitteerde uit het Hof van Friesland opgemaakt; in 1560 riep een andere commissaris van dat Hof de partijen bijelkander om de dijk te schouwen en werd opdracht gegeven deze op te hogen.

Het optreden van commissarissen van het Hof wijst er op, dat in de 16e eeuw van hogerhand toezicht op het onderhoud van dijk werd uitgeoefend. na die eeuw bemoeide de overheid er zich evenwel niet meer mee.

Het onderhoud werd niet gemeenschappelijk uitgevoerd, doch partieel en wel dorpsgewijze. Ieder dorp (ook de stad Bolsward) droeg de verantwoordelijkheid voor zijn eigen dijk(vak). In 1628 was de verdeling in grote trekken als volgt. Bolsward onderhield de waterkering van Drie Diken tot de Marnezijl (een gedeelte tussen het beginpunt van dit vak en de Sneekerpoort te Bolsward kwam voor rekening van Oegeklooster). De dorpen in de Dieperderhem (m.i.v. Oldeklooster) deden hetzelfde met het dijkvak tussen de Marnezijl en hun oude binnendijk, gelegen op de westelijke grens van de stad. Schettens had het gedeelte tussen Dieperderhems Oude Dijk en de Sieuwesloot in onderhoud, vandaar tot de Groene Dijk was dit voor rekening van Witmarsum, die dijk met het aansluitende gedeelte tot de Arumerzijl was voor Lollum, het vak van deze zijl tot de dorpsgrens van Achlum voor Arum en dat tussen deze grens en de Abe Heeringazijl, het aansluitpunt aan de Slachte, voor Achlum en het klooster aldaar.

De aan het onderhoud bestede kosten werden over de dorpsflorenen omgeslagen. Arum en Lollum ontvingen geldelijke steun van de dorpen in Hennaarderadeel, die daartoe de halve omslag over de florenen van hun buitendijks land moesten betalen.

Voor het gedeelte van de Marnedijk tussen Klieuw en Drie Dijken waren geen onderhoudsplichtigen aangewezen, hetgeen begrijpelijk is, omdat dit dijkvak wegens zijn ligging achter andere binnendijken als waterkering van weinig betekenis was.

Er zijn aanwijzingen, dat de dorpsdijken in perken onderverdeeld zijn geweest. In 1628 werden perken voor het dorp Witmarsum aangegeven; zij kwamen ten laste van de dorpskom en van de gehuchten onder behoor van dit dorp. Opmerkelijk is, dat de bebouwingen eveneens met dijksonderhoud waren belast.

De aandacht werd reeds gevestigd op de zelfstandige positie, die de Dieperderhem in de contributie van de Marnedijk innam; tot die hem behoorden de dorpen Hartwerd, Burgwerd, Hichtum, de kloosterdorpen en Bolsward. Het platteland onder behoor van de stad trad soms als Bolswarderhem naar voren.

Over het vruchtgebruik van de Marnedijk is weinig bekend; dat van enkele gedeelten berustte bij eigenaren van dijkhuizen, dan van andere bij de kerken van Arum en Achlum. In de binnendijk bevonden zich de volgende belangrijke zijlen: de zijl op het Zand te Bolsward, de Marnezijl, Harkezijl, Witmarsumerzijl, Arumerzijl of Arumer Schotelbank, Kimswerderzijl of Brakepijp en de Abe Heeringazijl. Deze dienden voor de afvoer van het overtallige water binnen het beschermde gebied, terwijl ook water afkomstig uit buiten de contributie gelegen land door sommige zijlen loosde, nl. uit Hennaarderadeel en Baarderadeel en uit de Eemswouder-, Morra- en Scherwolderhemmen.

De zijlen (keersluizen) maakten tevens scheepvaart tussen de binnen en buiten de contributie gelegen wateren mogelijk. Alleen de Marnezijl was een tijdlang als schutsluis ingericht.

De Witmarsumerzijl was gemaakt ten behoeve van de scheepvaart vanuit het gebied binnen de Pingjumer Halsband en moest om die reden geheel door de Pingjumers worden onderhouden. Het gezag over de zijl berustte echter bij de Witmarsumers. In de stad Bolsward waren na het midden van de 16e eeuw minstens vier zijlen.

De marnedijk verkeerde in de 19e eeuw, evenals zovele binnendijken, in een vervallen toestand; het zuidelijke gedeelte bleek bij de overstroming van 1825 niet in waterkerende staat te zijn.

De Dieperderhem werd in 1874 opgeheven; het gedeelte van de Marnedijk tussen de Marnezijl en Kievitshorne werd in 1889 door Gedeputeerde Staten als binnendijk vervallen verklaard en dat tussen Kievitshorne en Abe Heeringazijl in 1892 insgelijks door de Staten.

Wordt vervolgd


André A. Buwalda
e-mail: fam.aabuwalda@home.nl
HOMEPAGE: www.andrebuwalda.nl