Historie Schettens - Longerhouw

deel 104: De Historie gaat door het eigen dorp (II)


In 1960 ontving dhr. Ale Algra (1902-1970) de dr. Joost Halbertsmaprijs voor zijn boekenserie 'De Historie gaat door het eigen dorp'. Deze uitgave verscheen in 6 delen en was een bundeling van verhalen die tussen 1955 en 1960 verschenen. Hierin wordt geheel Friesland beschreven, waaronder dus ook onze dorpen Schettens en Longerhouw.  Aangezien het een flink artikel is, verschijnt het in meerdere delen in Viadukt. Nu dus deel twee.



Schettens en Longerhouw
 
In het geheel zijn er 16 zerken, de meeste van Osinga's, o.a. van Anna van Osinga, Beits van Osinga, weduwe van Sytte van Hania en verder van Schelte van Aysma en Tymck van Osinga.
Osinga-state is door dit huwelijk van Schelte van Aysma en Tymck van Osinga in de familie van eerstgenoemde overgegaan. Men zou het concluderen uit het feit, dat in 1722 Hotze van Aysma op Osinga woonde. Sybrand is als grietman niet door zijn zoon opgevolgd. Hij had wel een mannelijk oir, maar deze Syts of Sytse werd grietman van Doniawerstal en vestigde zich te Langweer, waar ook zijn zoon Sybrand, genoemd naar zijn grootvader, resideerde.
Op den duur is Osinga tot boerderij vervormd, waarschijnlijk omstreeks 1743. Het is verschillende malen verbouwd, b.v. in 1861, toen Y.C. de Haas  er woonde en ook nog in de periode van de tegenwoordige eigenaar. De brede gracht en het grote erf wijzen nog op "voorname afkomst". Bij de verbouwingen kwamen steeds grote hoeveelheden oude steen te voorschijn en in zijn vorige gedaante had de foarein zeer brede deuren en dikke muren met schietsleuven. Mevr. Postma toonde me nog een scherf, die pas gevonden was, die het jaartal 1581 droeg. Het zal van een kruik of bierpul geweest zijn, waaruit een Jancke, Seerp of Sybrand hebben gedronken.
Op Filens woonden tenslotte mannen uit vermaarde Aylva-geslacht, maar dat is bij Witmarsum al ter sprake gekomen. Dit Filens is, zoals me door een vriendelijke ambtenaar van de gemeente werd meegedeeld, eerst veel later bij Schettens gekomen, zodat de bewoners zich niet kunnen beroemen op het feit, dat er ook, -althans mannelijke- Aylva's binnen hun dorpsgebied hebben gewoond.
De op het kaartje nog aangegeven boerderijen Groot- en Klein Marwerd  en Groot- en Klein-Klaver vallen binnen de klokslag van Bolsward en zijn alleen maar volledigheidshalve opgenomen.

Schettens en Longerhouw zijn de eeuwen door steeds klein gebleven. Zo had Schettens in 1749 slechts 90 inwoners van wie er 56 op 12 boerderijen woonden. Longerhouw had er nog minder. De heer de Jong heeft indertijd hun namen, werkzaamheden en inkomsten eens in de Bolswarder Courant gepubliceerd. Het blijkt dan, dat evenals nu de landbouw het middel van bestaan was, of beter gezegd misschien de veeteelt. Dat is vrijwel gelijk gebleven. Beide dorpen leven van het land. Schettens had vroeger 15 stemmen, Longerhouw 9. Er zijn nu in de omgeving nog flinke boerderijen, sommige al heel lang bewoond door een bepaald familie. Als voorbeeld noem ik een plaats op Bittens, die voorheen bezit was van de kerk te Schraard, maar die in 1796 door de familie Scheepsma werd gekocht en die nog door een Scheepsma wordt bewoond. Zo zijn er wel meer voorbeelden van "hokvastheid".
In 1840 wordt opgegeven, dat er te Schettens (met Bruindijk mee) 26 huizen stonden met totaal 140 inwoners. Longerhouw kon de 100 nog niet halen, want voor dit dorp staat het getal 90 genoteerd. In 1958 staat achter Schettens 318 en achter Longerhouw 140. Er is in de laatste 100 jaar dus groei geweest, maar de mogelijkheden van uitbreiding zijn door het agrarisch karakter zeer beperkt.
Schettens ligt aan het vaarwater van Witmarsum naar Bolsward, Longerhouw niet ver van dat tussen Makkum en Bolsward. Vooral het kleine Longerhouw lag nogal geďsoleerd, maar toen in 1857 de weg van Schraard lang Longerhouw naar de Marnedijk werd verhard, kreeg het beter verbindingen. De tram langs de Marnedijk bracht nog meer vertier. Het Schettenser groothof - op oude kaarten reeds als hof aangegeven, en later een herbergje rijk- werd tramhalte.
Maar de tram is verdwenen en langs de nieuwe rijksweg, die Bolsward en Sneek met de afsluitdijk verbindt, rijden nu de bussen,die de bewoners, die er op uit willen, in korte tijd naar de beide steden of naar Holland voeren.

Ik wees er al op, dat in de 13de eeuw te Longerhouw een kerk werd gebouwd. Dat is dus 700 jaar geleden. In 1757 was deze kerk bijna onbruikbaar en vervallen. Daarom werd zij geheel ommetseld en vernieuwd, ook inwendig, zodat van het oude gebouw praktisch niets anders overbleef dan de fundamenten. De 24ste april 1757 kon de kerk weer in gebruik worden genomen. Dit geschiedde in een dienst, geleid door ds. Joh. Lantens, die bij die gelegenheid sprak over Zacharia 1:16. De toren met zadeldak is gebleven, hoewel ook hieraan heel wat gedokterd is. Volgens sommige deskundigen is hij zelfs daarbij ernstig geschonden.
De zadeldaktoren van Schettens heeft geen stand gehouden. In de vorige eeuw, toen het mode werd om de oude Friese torens door vaak stijlloze spitse gevaarten te vervangen, is ook het offer aan de mode gebracht te Schettens. Misschien was de oude toren ook wel bouwvallig geworden. In 1816 althans werd hij afgebroken. Voorlopig nam men in het dorp genoegen met een houten spitsje, in de trant als dat in Exmorra. Maar in 1877 werd een "echte" toren gebouwd., de tegenwoordige, terwijl in 1865 de kerk geheel werd vernieuwd. In een gevelsteen leest men:
De 24 July 1865 is de eerste steen aan deze kerk gelegd door Hendrik Tjeerds de Jong, als kerkvoogden waren Tjeerd D. de Jong, Jan D. de Boer, Auke I. de Witte en als predikant D.J. Westerloo.
We zullen drie van deze namen wel meer tegenkomen.

Als merkwaardigheid kan nog vermeld worden, dat in Schettens in de toren nog een helm en degen bewaard worden. Vroeger schijnen er ook pieken geweest te zijn, maar deze tekenen van strijd zijn uit het huis des vredes verdwenen. De baar van Longerhouw is merkwaardig door een versje, dat er op geschilderd staat en dat afkomstig is van Broer Johans van Abbema:

En verder is de preekstoel in Longerhouw een juweeltje van snijwerkkunst. Op de vijf panelen is als het ware het geloof in de levende Heiland afgebeeld: Zijn geboorte, kruisiging, opstanding, Hemelvaart (of de uitstorting van de H. Geest), en wederkomst.

In de Roomse tijd had elke kerk eigen herder of herders. Het kleine Longerhouw had zelfs een pastoor en een vicaris, van wie de een 110 en de andere 80 goudguldens per jaar verdiende. Erg druk zullen ze het niet gehad hebben. Ook Schettens had meer dan één geestelijke.
Na de Reformatie werden de beide dorpen kerkelijk gecombineerd en dat is zo gebleven tot de huidige dag. " 't Moat sahwet lyk op as twa út deselde pot tarre", zei een 50 jaar geleden iemand tot Hepkema, toen hij de dorpen bezocht, en inderdaad betaalden lang (nog?) de kerkvoogden van elk dorp de helft van het domineestractement. Mej. Scheepsma toonde me nog het klad van een soort beroepsbrief van een 100 jaar geleden, waarin dit "half om half" werd vastgelegd en tevens bepalingen waren opgenomen omtrent de kerkvoogdijwagen en het vervoer van de dominee naar Schettens, als hij daar preken moest of wanneer hij ter classisvergadering werd geroepen.

'wordt vervolgd'


André A. Buwalda
e-mail: fam.aabuwalda@home.nl
HOMEPAGE: http://historie.buwalda.nl (zonder www)