Historie Schettens - Longerhouw

deel 103: De Historie gaat door het eigen dorp (I)


In 1960 ontving dhr. Ale Algra (1902-1970) de dr. Joost Halbertsmaprijs voor zijn boekenserie 'De Historie gaat door het eigen dorp'. Deze uitgave verscheen in 6 delen en was een bundeling van verhalen die tussen 1955 en 1960 verschenen. Hierin wordt geheel Friesland beschreven, waaronder dus ook onze dorpen Schettens en Longerhouw.  Aangezien het een flink artikel is, verschijnt het in meerdere delen in Viadukt.



Schettens en Longerhouw

De beide dorpen die nu aan de beurt zijn, behoren tegelijk behandeld te worden, want geestelijk en kerkelijk zijn ze al eeuwen een tweeling geweest. Vandaag de dag zijn ze het nog. Schettens heeft daarbij in zekere zin het eerstgeboorterecht. Het is ook het grootst, maar Longerhouw kan er zich op beroemen, dat de pastorie van de Hervormde predikant de eeuwen door binnen zijn frontieren heeft gestaan.
Beide dorpen zijn al op jaren. De terpen wijzen daar op. Ik moet er direct bijvoegen, dat er van deze arbeid der vaderen niet veel meer over is. De meesten zijn afgegraven, alleen die, waarop de kerken en de "buorren" zijn gebouwd, voorzover er in Longerhouw althans van buorren gesproken kan worden, zijn gespaard.
De overige hoogten moesten dienen, om schrale gronden elders te verbeteren. Bij het afgraven zijn verschillende vondsten gedaan. Ik wil hier wijzen op twee prachtige voortbrengselen van aardewerk, een sierlijke geometrisch versierde pot op Bittens gevonden en een zgn. gladde gesmoorde pot. Beide zijn een aanwinst voor het Fries museum geworden. Natuurlijk kwamen er ook geraamtes te voorschijn en voorwerpen voor huishoudelijk gebruik. Boeles, die prachtige afbeeldingen van de potten in zijn "Friesland tot de 11de eeuw" geeft, dateert beide uit de eerste of tweede eeuw na Christus. Een bewijs dus, dat hier een kleine 2000 jaar geleden al Friezen woonden.
Nu ik het toch over vondsten heb, wil ik ook nog meedelen , dat een arbeider ruim 100 jaar geleden bij het graven van een dam een gouden munt vond, waarop de beeltenis van Rudolf van Diepholt, bisschop van Utrecht, voorkomt. Deze kerkvorst regeerde omstreeks 1430 en had als tegencandidaat Zweder van Kuilenburg. Er waren in die tijd twee pausen (de tijd van het Schisma) en beiden hadden een bisschop aangewezen voor het Utrechtse Sticht. Hield men het in deze delen van Friesland met de paus van Avignon, die Rudolf benoemde? De munt zou er op kunnen wijzen.

De naam Schettens komt, voorzover bekend, voor het eerst voor in een schenking van 855 aan het klooster Werden in Duitsland. Er wordt dan van Scettanfurthi gesproken. Wat dat furthi betekent? Ds. van Tuinen zoekt misschien terecht verband met voorde, een plaats waar men door het water trok (zoals in Koevorden en Amersfoort). Er was in die tijd nog al wat water in deze streken. 
Ten zuiden van Schettens liep een slenk, die de Marne heette en die later door de Marnedijk, thans grotendeels nog als verkeersweg in gebruik, werd "bedwongen". De Schraarder vaart is een herinnering aan die "zeearm". Mag misschien de naam van de boerderij "het Fort" er ook nog mee in verband gebracht worden? Niemand kon opheldering geven over deze naam. Aan een versterking zal toch zeker niet gedacht mogen worden?

De kerk te Longerhouw dateert volgens de Monumentenlijst uit de 13de eeuw, al is er door latere verbouwing vrijwel niets van het oude godshuis overgebleven.
Dit moge voldoende zijn om aan te tonen, dat Schettens en Longerhouw en de buurtjes en terpen er om heen, zoals Bittens, Sotterum, Bruindijk, 't Fort en 't Groothof van Schettens al lang bewoond zijn geweest.

Afzonderlijk moet Osinga-state worden genoemd. Thans is het een kapitale boerderij, eigendom van de heer D. Postma en bewoond door zijn schoonzoon, de heer A. v.d. Meer, die behalve boer drs. in de economie is. Eertijds was het een stins met dubbele gracht, die gebouwd is door Sybrand van Osinga, grietman van Wonseradeel. Zijn voorzaten hebben hier ook al gewoond, zoals blijkt uit de zerken in de kerk van Schettens. We zullen dan misschien ook het best doen, door te spreken van een herbouw of uitbreiding van het Osingahuis door Grietman Sybrand.

Seerp van Osinga, die in 1551 overleed, en zijn vrouw Jel Heerema, die in 1562 haar man in de dood volgde, hebben samen een zerk. Het zal hun zoon Jancke of Jaucke van Osinga geweest zijn, die in 1580 grietman van Wonseradeel werd. Zijn voorganger, die de Spaanse zijde hield, nam de wijk en daarom kreeg Osinga, die een aanhanger was van de partij van de vrijheid, het ambt. Hij kreeg de commissie van de Koning van Spanje, wordt er bij vermeld. Dit lijkt op het oog heel vreemd, maar wij moeten in het oog houden, dat Filips II nog niet was "afgezworen". Dat zou eerst een jaar later gebeuren en tot pl.m. 1580 hield men nog aan de fictie vast, dat de Spaanse koning de wettige heer was en allerlei benoemingen en besluiten werden op zijn naam gesteld, zonder dat de goede man er ook maar enige weet van had. Zo is het meest frappante voorbeeld, dat de Calvinistische universiteit te Leiden in 1575 in naam van de grootste vijand van het Calvinisme is gesticht.

De nieuwe grietman heeft zijn functie maar drie jaar vervuld. Hij overleed in 1583 en werd opgevolgd door zijn zoon Seerp Osinga, genoemd naar zijn grootvader, die echter reeds in 1589  stierf. Ook hij ligt evenals zijn vader en grootvader in de kerk van Schettens begraven. Dan volgt de tweede zoon van Jancke van Osinga, de reeds genoemde Sybrand. Hij bekleedde het ambt tot 1623. Van de Osinga's is hij wel de belangrijkst geweest. In zijn grietenij deed hij veel voor de waterstaat. Vele tochten en sloten werden gegraven om de afwatering te verbeteren. Maar ook in het gewestelijk en landelijk bestuur nam hij zijn plaats met ere in, als dijkgraaf, lid van Gedeputeerde Staten en lid van de Staten-Generaal. Hij is gehuwd geweest met Atke van Aggema en eerder met Luts van Scheltinga. Een zeer fraaie zerk dekt het graf van hem en zijn tweede vrouw. Hun afbeeldingen staan bijna levensgroot op de zerk. Hij is afgebeeld als krijgsman met de hand rusten op het zwaard, "zij heeft de handen gevouwen onder biddend opzien met het gelaat vol uitdrukking". Op het blad van het attribuut van de dood, de zeis, staat: "Aanziet de Tyt". En verder staat aan de voet van de afbeeldingen:

Op een andere steen staat deze belijdenis:

'wordt vervolgd'


André A. Buwalda
e-mail: fam.aabuwalda@home.nl
HOMEPAGE: http://historie.buwalda.nl (zonder www)