Armengoederen en Armbesturen in Friesland
(van de 14e eeuw tot heden)

Historisch-Juridische schets
door Mr. P.C.J.A. Boeles
advocaat en Procureur te Leeuwarden

Uit: De Vrije Fries, 1906

http://images.tresoar.nl/wumkes/periodieken/dvf/dvf-0280-1906-20.pdf

 

Schettens.

Van Schettens, een dorp in Wonseradeel, dat onlangs

de aandacht op zich gevestigd heeft door het tusschen

kerkvoogden en diaconie gevoerde proces (Pal. v. Just.

1901, n°. 63), kon ik de rekeningen nagaan van 10 Juni

1605 af tot en met 1868  1).

Waar ik in het laatste gedeelte van deze schets, de

19° eeuwsche geschiedenis van genoemde kerk-armvoogdij

zal behandelen, dient hier iets vooraf te gaan omtrent de

17e en 18e eeuw.

In het „register van den aanbreng van 1511" 2) komt

wel iets voor over andere dorpen van Wonseradeel, maar

niets over Schettens ; volgens de „beneficiaalboeken" d. i.

dus omstreeks 1543, waren er te Schettens slechts kerke-

of patroons- en pastoriegoederen en in eenen inventaris

van Juni 1611, voorkomende in het oudste kerkeboek,

worden ook alleen patroonsgoederen opgegeven. Eveneens

meldt de oudste rekening (1605 —1608) alleen inkomsten

uit de kerkegoederen en uit de pastoralia, die tenge-

 

1) Deze rekeningen, die ten gemeentehuize van Wonseradeel berusten,

werden door den heer burgemeester te mijner beschikking gesteld.

Hiervan dient te worden uitgezonderd het. rekeningboek van 1774 —1824,

dat ik dank aan de welwillendheid van de Kerkvoogden van Schettens.

2) Register v. d. aanbreng van 1511, uitgegeven door het Friesch

Genootschap, Dl. II, pag. 17 v.v.

 

102

ARMENGOEDEREN EN ARMBESTUREN

volge eener vacature tijdelijk door kerkvoogden beheerd

werden. Toch zijn er volgens summiere opgave uitgaven

gedaan voor : reparatiën van de kerke, pastorye en schoolmeester-

huizinge , schoolrneester-gagie, leydekker, ael-

moesen enz. en de rendanten heeten „k e r k v o o g t

e n d e ad m i n i s t r a t e u r va n de k e r k e  e n d e

g e e s t e l y c k e g o e d e r e n tot Schettens"; terwijl er

ook in de, in 1617, gedane verantwoording gesproken wordt

van zekere drie pondematen voormaals door den schoolmeester

gebruikt, waaruit alweer blijkt, dat de inventaris

van 1611 onvolledig was.

Wij zien dan hoe er reeds blijkens de oudste rekening

gelden voor aalmoezen besteed zijn, die genomen werden

uit de opkomsten der kerkelijke goederen, want er werden

van de Staten van Friesland geene armegelden of subsi-

diën ontvangen en de rekening van 1617—1624 spreekt

herhaaldelijk van uitgegeven en elders gespecificeerde arme-

gelden en meer bepaald van : „aan blinde Hendrik en

andere armen."

In de 18e eeuw krijgen wij nauwkeuriger berichten omtrent

bedeelden.

In 1708 en volgende jaren wordt o. a. weekgeld en ander

onderhoud voor een zekeren Sjoerd Douwes in rekening

gebracht. Terzelfder tijd begint ook de jaarlijksche ont-

vangst van oortjesgelden 1)  gewoonlijk tusschen de dertig

en veertig gulden, hetgeen echter nog maar de helft was

van hetgeen er in die tijden voor de armen betaald werd.

 

1) De oortjesgelden, eene regeeringssubsidie, danken hun ontstaan aan

eene Staatsresolutie van 15 April 1590 bepalende: „Van de stuivergelden

door de pachters van ieder gulden hunner pachtpenningen betaald, een

oortje te employerern ten profyte van'. de armen ter plaatse daar de ver

pachting geschiedt." Zie Chalmot in voce „oortjesgelden". De grietslieden

deelden do oortjesgelden uit, aan diakens of burgerlijke armbesturen.

Vgl. v. Sloeten t. a. p. III (1892).

 

IN FRIESLAND

103

Is het ontvangen van oortjesgelden een bewijs, dat kerkvoogden

beschouwd werden als armvoogden, ten duidelijk-

ste blijkt dat bovendien uit een geschil tusschen deze kerkvoogden

en de diakens van Schettens, over het onderhoud

van eenige weezen, wier ouders beide lidmaat te Schettens

geweest waren. De aan weerszijden ingewonnen, gedeeltelijk

nog voorhandene, juridische adviezen verschilden en

de zaak leidde tot een proces. Ik zag althans de dagvaarding

van 18 Sept. 1753 1). Ook in dit geschil heeten

de kerkvoogden nog altijd kerkvoogden, maar het is nu

duidelijk, dat ze tevens fungeerden als a l g e m e e n arm-

be s t u u r en dat niet uit liefhebberij, maar uit verplichting,

anders zou er van een proces geen sprake kunnen zijn.

Den 31 Jan. 1794 wordt voor de laatste maal melding

gemaakt van oortjesgelden tot een bedrag van 9 gulden

14 st. 2), dat ook in de vorige jaren ontvangen was. Er

werd oneindig veel meer voor de armenzorg gegeven, zoo-

dat verplichting om de armen te onderhouden, niet met

het ontvangen van het oortjesgeld in verband stond.

De schoolmeester ontving in de tweede helft der 18°

eeuw zestig carolus gulden tractement (uit de kerkebeurs)

en zoo blijkt de kerkvoogdij van Schettens eene zelfde

positie in te nemen, als die van Roordahuizum, al waren

er daar oorspronkelijk ook meer beneficiale goederen. Beide

kerkvoogdijen fungeerden als burgerlijk armbestuur en

het eenige verschil was, dat de één en ondeelbaar geworden

kerkebeurs op de eene plaats beter gespekt was dan

op de andere.

 

1) Eenigo tot deze zaak betrekkelijke losse stukken, waaronder de

juridische adviezen, bevinden zich ter Secretarie van Wonseradeel, inventaris,

22e afd. no. 34.

2) Feitelijk werd het oortjesgeld, zij het niet bij name genoemd, voor

het allerlaatst den 4 Maart 1796 ontvangen, uit handen van het Geregt

van Wonseradeel.

 

 

Schettens.

Geheel anders ging het te Schettens. Wij zagen boven,

dat de kerkvoogdij aldaar tevens als algemeene armvoogdij

fungeerde. Daar men zich echter nooit anders dan kerk-

 

130 ARMENGOEDERES EN ARMBESTUREN


voogd noemde, werd de publicatie van 8 Februari 1805

niet toegepast. Ten onrechte, want er was hier eene combinatie

van kerk- en armvoogdij, dus hadden beurtelings

de hervormde floreenplichtigen en de hoofden van huisgezinnen,

zonder onderscheid van religie, moeten optreden.

Men treft evenwel altijd alleen de hervormde floreenplichtigen

aan. Hoogst verrassend is het nu, om, waar in de

rekeningen van 1605 af tot 1868 toe, nooit anders gesproken

wordt dan van „kerkvoogden" uit de stukken van het

bovengenoemde proces te vernemen, dat er den 22 April.

1815 eene som van f 2100 op liet grootboek ingeschreven

werd „ten n a m e van de a r m v o o g d i j van de

g e r e f o r m e e r d e g e m e e n t e te S c h e t t e n s ,"

van welke obligatie de rente steeds door kerkvoogden verantwoord

wordt en ook het stuk zelf komt in de rekeningen

voor, waar het geheel met de andere baten der

kerkvoogdij op één lijn gesteld wordt. Iets dergelijks had

plaats in 1827 en 1842, terwijl er bovendien inschrijvingen

waren op naam van de Nederduitsch Herv. Gemeente

te Schettens. Het behoeft geen betoog, dat dergelijke

abnormaliteiten tot misverstand moesten leiden en

eene armvoogdij eener gereformeerde (hervormde) gemeente

mag naast de diaconie van diezelfde gereformeerde gemeente

stellig eene onmogelijke rechtsfiguur genoemd worden.

Hoewel men dus in 1815 niet meer wist, dat de kerkvoogdij

tevens burgerlijk armbestuur was, toch fungeerde ze als

zoodanig tot 1825. In de rekening over 1 Nov. 1824 tot

30 Dec. 1825 worden er niet, zooals in vorige jaren uit-

keeringen aan bepaalde armen vermeld, maar wordt geboekt

eene uitgave van f 132.50 als subsidie aan de armvoogden.

Blijkbaar was er toen een afzonderlijk algemeen armbestuur

ingesteld. Van 1831 —1849 vind ik weer specifieke uitgaven

voor bepaalde armen, in 1848 zelfs ten bedrage

van f 656.32, terwijl, waar dit onder de gewone uitgaven

 

IN FRIESLAND

131

geboekt is, er bovendien sinds 1846 als buitengewone uitgave

f 100 subsidie gegeven werd aan de diakens van

Schettens (gecombineerd met Longerhouw). Na 1849 worden

weer de „Algemeene arm voogden" gesubsidieerd en

zoo ging het nog in 1868, hoewel de subsidie toen reeds

tot f 300 geslonken was en de diakens niets meer ontvingen.

Na 1849 kan er van eene kerk-armvoogdij geen sprake

meer zijn 1), en na 1870 is er volgens de gedingtalen

weinig meer gesubsidieerd en bijna alles aan het burgerlijk

armbestuur overgelaten. De gelden, die vroeger voor de

armen besteed waren, zouden dus rustig in de maag der

kerkvoogdij verdwenen zijn, indien niet nog altijd de „ armvoogdij

der gereformeerde gemeente te Schettens'" in het

grootboek gestaan had. Kerkvoogden inden, zooals wij

vermeldden, de renten van die grootboek-inschrijvingen; in

1891 moest de renteprocuratie vernieuwd worden en er

werd een brief geschreven aan den armvoogd der gereformeerde

gemeente van Schettens. De postbode kon den

man niet vinden, ging naar den burgerlijken armvoogd,

die hem weer verwees naar een diaken. Een gevolg hiervan

was, dat de kerkeraad van de gecombineerde gemeente

Longerhouw en Schettens, met eenige sanctie van hoogere

kerkelijke besturen, aan de Directie van liet grootboek

verzocht, de bekende inschrijvingen over te boeken

op naam van de diaconie van Longerhouw en Schettens,

 

1) Hierbij komt c'Ic bepaling van wet van 1870, art, 7, alin. 5 „de kerkelijke

of bijzondere instellingen, voor welke de gevorderde mededeeling

(betreffende de inrichting en het bestuur der instelling) niet binnen de

gestelde termijnen geschiedt, missen van het oogenblik van het verstrijken

dier termijnen af, totdat zij plaats heeft, de bevoegdheid, bij art. 1691

van het Burg. Wetboek aan zedelijke lichamen toegekend, tot het aangaan

van burgerlijke handelingen. Voor reeds bestaande instellingen was

de termijn 6 maanden na het in werking treden dor wet."

 

132 ARMENGOEDEREN EN ARMBESTUREN

 

hetgeen geschiedde, nadat nog het gemeentebestuur van

Wonseradeel — zeer ten onrechte — verklaard had, dat

deze diaconie en de armvoogdij van de gereformeerde gemeente

van Schettens één en hetzelfde lichaam waren.

Kerkvoogden zijn hiertegen opgekomen en bij het aangehaalde

vonnis (Pal. v. Just. 1901 no. 62) in liet gelijk

gesteld.

 

193

De wenschelijkheid van toezicht op stichtingen.

Tot dergelijke toestanden moest leiden de gebrekkige

scheiding van Kerk en Staat, de slechte afbakening van

de zoo verschillende arbeidsvelden der zoogenaamde kerkvoogdij.

Niet dat zulk eene administratie altijd slecht moet

werken; want te Schettens werden, althans tot 1869, de

inkomsten der kerkvoogdij uitstekend besteed, zooals blijkt

uit de hooge subsidiën aan de algemeene arm voogden en

soms aan diakens verstrekt.

 

134

Te Schettens b. v. heeft men nu „vrij beheer", dus

volkomen gemis aan openbaarheid van de administratie, en

geen toezicht van overheidswege kan er uitgeoefend worden

op deze kerkvoogdij, die b.v. in 1823 eene geheel nieuwe

school liet bouwen en behalve de subsidie aan de algemeene

armen, het jaarlijks tractement van den onderwijzer,

tevens koster en voorzanger, betaalde, dat b. v. in 1868,

250 gulden bedroeg. Artikel 43 van de wet op het lager

onderwijs bepaalt alleen „elke gemeente voorziet in de

kosten van haar lager onderwijs, voor zoover die niet, komen

ten laste van anderen of op andere wijze worden gevonden."

Geheel onbedenkelijk is dit niet, waar reeds voor 1869

op sommige plaatsen kerkvoogden en floreenplichtigen,

schoolgebouwen en onderwijzerswoningen aan het openbaar

onderwijs onttrokken, zoodat er van gemeentewege

eene nieuwe school opgericht moest worden, tractementen

betaald enz. 2). Ook is mij een geval bekend, dat kerkvoogden

uit hunne overvloedige inkomsten een p l a n t s o e n

hebben aangelegd.

 

 

Het dorp in de 19e eeuw.

Terwijl dan aan den eenen kant door het reglement op

de administratie der kerkelijke fondsen van 1823 de wig

gezet werd tusschen de gecombineerde kerk- en arm voogdij,

zoowel door de bepaling van artikel 7, waarbij aan het

Prov. College werd opgedragen eene scheiding dier administratiën

te bevorderen, als door de veranderingen in het

aantal (drie, vijf of zeven) en de wijze van verkiezing der

kerkvoogden (art. 1), veranderingen die geene rekening meer

1) Met de belangrijke memorie van toelichting uitgegeven te Haarlem.

1901.

2) Alsvoren pag. 46 v. v.

 

IN FRIESLAND. 137

hielden met eene dergelijke combinatie en die de keuze

bij „tourbeurt" door hervormde floreenplichtigen en

hoofden van huisgezinnen stilzwijgend afschaften; aan

den anderen kant werd de kerk-armvoogdij onmogelijk gemaakt

door des wetgevers vermeerderde belangstelling in

het armwezen. Het „reglement op het bestuur ten platten

lande in de provincie Friesland", vastgesteld bij K. B.

van 23 Julij 1825, droeg in art. 40 de benoeming van

algemeene armvoogden op aan den grietenij-raad, een

college, dat overeenkomt met den tegenwoordigen gemeenteraad.

Overal kwamen er nu 'in de dorpen afzonderlijke

algemeene armbesturen, althans in naam 1) en op plaatsen

waar de kerk-armvoogdij niet gescheiden is, werden zij

daarnaast opgericht, hetgeen b.v. te Schettens het geval

was en tengevolge had, dat in de combinatie van kerk- en

armvoogdij, de armvoogdij, nu zij niet meer behoorlijk als

algemeen armbestuur konde werkzaam zijn en niet meer

behoorde tot het organisme van den Staat, langzamerhand

weg kwijnde, evenals een lichamelijk orgaan, dat niet meer

gebruikt wordt, en in de maag der kerkvoogdij verdween ;

slechts enkele rudimenten, gewoonlijk bestaande in subsidiën

aan de algemeene armvoogden herinneren aan de

oorspronkelijke samenleving van kerk- en armestaat.

Laat mij eindigen met iets te zeggen over de geschiedenis

van het dorp in de 19e eeuw, hetgeen met het oogop

hen, die niet vertrouwd zijn met de geheimen van

het Friesche gemeenterecht niet geheel overbodig schijnt

te zijn. Men denke niet, dat het Friesche dorp met

de revolutie van 1795 zijn zelfstandig bestaan verloren

heeft. Zulke eeuwenoude organisatiën , laten zich zoo

maar niet wegdecreteeren en niettegenstaande Friesland,

 

1) Soms werd een der kerkvoogden door het gemeentebestuur tot algemeen

armvoogd benoemd.