Confessionelen

 

Links:

Gereformeerde Bond ijvert al een eeuw voor de Waarheid

8 april 2006


door onze redacteur Willem Bouwman

Op woensdag 18 april 1906 kwamen tweehonderd mensen bijeen in de Concertzaal te Utrecht, waar ze de Gereformeerde Bond oprichtten. Honderd jaar later viert de Bond zijn eeuwfeest op ingetogen wijze, want er is pas een scheuring geweest en het doel van de Bond, de terugkeer van de Protestantse Kerk naar de gereformeerde belijdenis, is nog lang niet bereikt. De nood der tijden staat geen grote vreugde toe.

De Gereformeerde Bond is ontstaan uit bekommernis over de geestelijke toestand in de Nederlandse Hervormde Kerk. In het manifest dat de oprichting in het vooruitzicht stelde, werd de malaise in vlammende woorden getekend. ,,De ellende onzer Kerk brengt voortdurend een onberekenbaar groote schade toe aan de godsdienstige ontwikkeling van ons volk.'' Duizenden waren ten prooi gevallen aan het ongeloof, en wie begeerden naar Gods Woord te leven, werden stelselmatig in hun diepste levensovertuigingen gekrenkt, aldus het manifest. Tot de negen ondertekenaars behoorden ds. E.E. Gewin, ds. M. van Grieken en dr. H. Visscher. Alledrie zouden een voorname rol in de Bond gaan spelen.

Aanleiding tot het ontstaan van de Bond was een brochure van een hervormde dominee, ds. L.A. Bähler uit het Friese Oosterwolde, auteur van Het ,,Christelijke'' Barbarendom in Europa uit 1903. Volgens Bähler was het boeddhisme een verbetering van het christendom. Bähler was een erkende dwarsligger met uitgesproken opvattingen, die maakten dat hij vooral in de marge tot zijn recht kwam. Hij was vegetariër, geheelonthouder, anarchist en antimilitarist. ,,Elke wet is mij eene grieve, elke politieverordening is mij eene krenking'', verklaarde hij in 1897 in een lezing in Den Haag. Het lijden en sterven van Christus vond hij een verzinsel.

Bählers brochure leidde tot kerkelijke bezwaren en procedures. In juni 1905 werd hij door het provinciaal kerkbestuur van Friesland voor onbepaalde tijd geschorst, maar twee maanden later maakte de synode de schorsing ongedaan. Bähler was weer predikant in volle rechten, tot verbijstering van de orthodoxe hervormden. Synodelid ds. C. van Dis meende dat de synode de spot dreef met ,,de Heer Jezus Christus als de Eenige en Volkomen Zaligmaker eener verlorene wereld''.

Fabelen
Toch waren Bählers opvattingen hooguit een nieuwe noot in een oude melodie. Sinds vele jaren predikten vrijzinnige dominees dat Jezus een gewoon mens was. De bekende namen zijn J.H. Scholten, C. Zaalberg en L.W.E. Rauwenhoff, maar de schriftkritiek leefde bij velen. ,,Jezus werd in Nazareth geboren; zijn ouders heten Jozef en Maria'', schreef ds. B.W. Colenbrander in Geen fabelen. Opmerkingen over de wonderen van den Bijbel (1868). Hetzelfde jaar twijfelde prof. W.C. van Manen aan het bestaan van engelen, en volgens ds. C. Alting was het idee van de zondvloed in strijd met rede en ervaring. ,,Wij verwijzen het bericht naar het gebied der mythologie.'' Ds. B.C.J. Mosselman vond dat de verzoeningsleer niet thuishoorde in de Hervormde Kerk. ,,Is Jezus onze Middelaar? Bij de ware Hervormde is niemand tussen hem en God. Die nog een tussenpersoon behoeft, is in beginsel nog Joods en Rooms.''

Deze dominees behoorden tot de moderne richting in de Hervormde Kerk. Ze wilden de kerk 'bij de tijd' brengen door de geloofsleer onderhorig te maken aan de nieuwste inzichten van de wetenschap. Daartegen kwamen de confessionelen in verzet. Zij hielden vast aan de belijdenisgeschriften en vormden in 1864 de Confessionele Vereniging, mede op initiatief van Groen van Prinsterer. De confessionelen stichtten evangelisatieposten in gemeenten met moderne predikanten en ijverden voor herziening van de kerkorde, het Algemeen Reglement van 1816, dat de leervrijheid mogelijk maakte. Zij wilden de kerk van binnenuit hervormen.

Sommige hervormden waren noch modern noch confessioneel. Zij vonden dat de waarheid het hart moest raken en geen zaak van het hoofd of van de letter was. Bij het geloof ging het om de gezindheid en het innerlijk, om de 'ethos', en daarom werden zij 'ethischen' genoemd. Hun voornaamste vertegenwoordiger was J.H. Gunning jr., maar een eigen organisatie hadden ze niet; pas in 1921 werd de Ethische Vereniging opgericht. De confessionelen vonden de ethischen te vaag en te weinig belijnd. Voor de confessionelen was de Bijbel Gods Woord; volgens de ethischen was Gods Woord te vinden in de Bijbel.

Kuyper
Het kerkelijk leven van de hervormden is jarenlang beheerst door de strijd tussen confessionelen, ethischen en modernen. Een van de felste strijders was Abraham Kuyper, hervormd predikant te Amsterdam, leider van de Antirevolutionaire Partij en hoofdredacteur van De Standaard. Volgens Kuyper mocht het kerkbestuur alleen erkend worden als het gehoorzaam was aan de gereformeerde belijdenis. Zo niet, dan moest een plaatselijke kerk haar eigen koers bepalen als het om principiële kwesties ging. Het was de opmaat voor een scheuring, de Doleantie van 1886, die feitelijk door Kuyper was georganiseerd. Ruim tweehonderd kerkenraden en 76 predikanten verlieten de Hervormde Kerk. Van 1879 tot 1889 liep het percentage hervormden in Nederland terug van 54,5 naar bijna 49. Kuyper en de dolerenden verenigden zich in 1892 met de afgescheidenen, die bij de Afscheiding van 1834 de Hervormde Kerk verlaten hadden. Afgescheidenen en dolerenden vormden in 1892 de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Vele orthodoxe hervormden waren niet met Kuyper meegegaan. Zij bleven hervormd, omdat ze partijstrijd en activisme schuwden en de volkskerk verkozen boven de antithese van Abraham Kuyper. Een van hen was Ph.J. Hoedemaker. Hij beleed het ideaal van de volkskerk, vastgelegd in de leuze 'Heel de kerk en heel het volk'. Volgens Hoedemaker had God een verbond gesloten met het Nederlandse volk en stond de kerk, de Hervormde Kerk, ten dienste aan het volk. Wie die kerk verliet en een eigen kerk begon, was eigenlijk een sektariër.

Hoedemaker vond veel gehoor bij de Confessionele Vereniging. Zijn blad, De Gereformeerde Kerk, werd het verenigingsblad van de confessionelen en Hoedemaker was enige tijd hun voorzitter, tot hij in 1897 vertrok: hij vreesde dat de Confessionele Vereniging de eenheid van zijn geliefde volkskerk in gevaar bracht. Hoedemaker voelde zich eenzaam en onbegrepen, maar vond begrip en vriendschap bij J.H. Gunning, de voorman van de ethischen, die de noodzaak van een nieuwe kerkorde scherper was gaan zien. Gunning noemde zich openlijk confessioneel en schreef samen met Hoedemaker een open brief aan de synode over een nieuwe kerkorde.

Belijdenis
Het bondgenootschap van Hoedemaker en Gunning wekte het wantrouwen van sommige confessionelen. Ze waren altijd al huiverig geweest voor Hoedemakers ideaal van de volkskerk: zou die niet ten koste gaan van de zuivere handhaving van de belijdenis, vooral de uitverkiezingsleer? Hoedemakers samengaan met Gunning versterkte het vermoeden dat Hoedemakers rietstengel de confessionele hand doorboorde, want hoewel hij de Confessionele Vereniging verlaten had, was de geestelijke verwantschap gebleven.

Er speelde meer. Bij de Kamerverkiezingen van 1905 had het confessionele ministerie-Kuyper de meerderheid verloren en trad het vrijzinnig-liberale kabinet-De Meester aan. Volgens de anonieme brochureschrijver Amo Nesciri ('ik wil onbekend blijven'), was dat mede te wijten aan hervormden die weigerden hun stem aan de autoritaire, antithetische Kuyper te geven. Ze waren daartoe aangezet en opgestookt door lichtere hervormden, die Kuyper hartstochtelijke verfoeiden. Diezelfde hervormden hadden Bähler in het ambt gehandhaafd. Het is tijd dat de bezwaarden zich gaan organiseren en de kerk naar hun hand zetten, zei Amo Nesciri.

Hugo Visscher
De gevoelens van onbehagen werden tot daden omgesmeed door Hugo Visscher, hoogleraar godsdienstgeschiedenis in Utrecht, antirevolutionair en begiftigd met een enorme dadendrang. Samen met zijn studievriend J.D. de Lind van Wijngaarden redigeerde hij sinds 1896 het Gereformeerd Weekblad, waarin hij de schriftkritiek bestreed en hervorming van het kerkbestuur bepleitte. Hij werkte mee aan de oprichting van de Gereformeerde Zendingsbond in 1901 en deed in 1903 een vergeefse poging tot oprichting van een hervormde jongelingsbond. Zonder Visscher was de oprichting van de Gereformeerde Bond in 1906 niet doorgegaan, meent zijn biograaf, B.J. Wiegeraad.

Volgens Visscher was de toekomst aan de hervormd gereformeerden. ,,Gans een eikewoud slaapt in een enkele eikel'', zei hij bij de oprichtingsvergadering van de Gereformeerde Bond. Ook voor zichzelf zag Visscher een grote toekomst weggelegd. Hij wilde minister worden, opvolger van Abraham Kuyper, leider van de Antirevolutionaire Partij, want veertig procent van de AR-kiezers was hervormd.

In een brief aan Kuyper gaf Visscher een analyse van zijn achterban. ,,Wat de gereformeerd-hervormden betreft, staat het zo: Er zijn twee groepen gereformeerden onder hen. Een grote zich uitbreidende groep ziekelijke, lijdelijke, energieloze mensen, coccejaans, uiterst mystische, zogenaamd bevindelijk, inderdaad onkerkse mensen (...) Meestal echter zijn ze fel gekant tegen de Gereformeerde Kerken. Feller kerkisten, bitterder haters der Gereformeerde Kerken vond ik nergens.'' De tweede groep was te vinden in de Gereformeerde Bond. ,,De bondsmensen zijn veel gezonder in hun opvattingen, hebben een klaar besef, dat de synodale organisatie weg moet.''

Visscher voelde zich nauw verwant met Kuyper en had zijn benoeming als hoogleraar aan hem te danken. Toch heeft Kuyper waarschijnlijk geen invloed uitgeoefend op het ontstaan van de Gereformeerde Bond. In de uitvoerige briefwisseling tussen Visscher en Kuyper is er geen spoor van te vinden, schreef kerkhistoricus W. Balke: ,,Kuyper had geen interesse meer in de 'Hervormde Genootschapskerk', zoals hij de Hervormde Kerk betitelde.''

Visscher is nooit de Kuyper van de Gereformeerde Bond geworden. Hij wilde zich 'vrijmaken' van het synodale kerkbestuur en streefde naar een boedelscheiding tussen de verschillende richtingen in de Hervormde Kerk. Zijn tegenstanders vreesden een nieuwe doleantie en wilden hoe dan ook een afscheiding voorkomen. In 1909 kregen zij de overhand. Van vrijmaking en boedelscheiding zou geen sprake meer zijn. De Gereformeerde Bond ging ijveren voor ,,verbreiding en verdediging van de Waarheid''.

En dat doet hij nog steeds.

 

 

©Nederlands Dagblad