De mislukte grietmansverkiezing van Schelte van Aysma in 1623

 

https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/handle/1887/19168/02.pdf?sequence=4

Meer duidelijkheid in de problematiek ten aanzien van het stemrecht van huurders en eigenaren, verschaft een belangrijke bundel stukken in het Friese stadhouderlijke archief. Deze hebben betrekking op de verkiezing van de grietman van Wonseradeel in 1623 en de nasleep daarvan het jaar daarop.60

Begin november van dat jaar was grietman Sybrant van Osinga overleden. Over zijn opvolging ontstond een felle strijd, want Wonseradeel was met maar liefst 29 welvarende dorpen 61 en 658 stemmende plaatsen niet alleen de grootste, maar ook de ‘profitelickste in ’t Landt’. 62
De belangrijkste gegadigden voor de vacature waren hopman Schelte van Aysma, schoonzoon van de overledene, Tjaard van Aylva ‘de Jonge’, Johan van Herema en raadsheer Frans van Jongema.

Er waren sinds 1580 in Wonseradeel al drie Osinga’s als grietman aan het bewind geweest, maar ook de Aylva’s, Herema’s en Jongema’s bewoonden al generaties als dorpsedelen hun fraaie states en hadden er als grietmannen hun antecedenten. Wellicht speelde ook een rol dat Aysma een relatieve buitenstaander was, die als eigenerfde van buiten de grietenij was ingetrouwd in een adellijke familie die vanouds een machtspositie had in Wonseradeel.

Er stond dus veel op het spel, profijt en eer, maar ook geld, want er werd gekuipt om het leven en de kosten daarvan – het trakteren in de dorpen 63 en het kopen van stemmen – konden voor de kandidaten of de ‘kuipers’ in de duizenden guldens lopen en zouden alleen voor de winnaar rendement opleveren. 64 Het kuipen werd echter door velen als verwerpelijk beschouwd, bijvoorbeeld door Renicus Atsma, die aan de stadhouder schreef dat in deze verkiezingsstrijd ‘seer onmanierlicken wordt gehandelt ende alderhande scandelicke cuiperijen gebruickt’. 65

Het kuipen in Wonseradeel was voor de gegadigden een noodzakelijk kwaad, en dat behoeft enige toelichting. De grietenij was welvarend, maar dat gold niet voor alle dorpen in even sterke mate. Het noorden en noordoosten bestond uit ‘uitmuntende bouw- en weidlanden’, met de meeste akkerbouw in de ‘lytse bouhoeke’ (Kimswerd, Witmarsum, Arum en Pingjum). Het lager gelegen westelijk en zuidwestelijk deel bestond uit minder vruchtbare ‘weid- en hooilanden’. 66

Wonseradeel telde veel eigenaren-gebruikers (in 1640 33% van de stemmen), meer dan alle andere grietenijen in Westergo. Deze eigenaren-gebruikers waren vooral in het zuidwestelijk deel te vinden, met de dorpen Gaast en Ferwoude als uitschieters. Er kwam in 1640 ook relatief weinig grootgrondbezit voor. Volgens het stemkohier van 1640 waren slechts 116,5 van de 658 stemmen (17,7%) in eigendom van de 51 personen die over de gehele provincie genomen vijf stemmen of meer bezaten. Van deze 116,5 stemmen was bijna tweederde deel bezit van edelen.

De grootste eigenaar in Wonseradeel in 1640 was grietman Tjaard van Aylva met 10,5 stemmen, gevolgd door Pieter van Herema uit Tjerkwerd (9), Regnerus Bruynsma uit Bolsward (7,5), Hessel Huyghis uit Hichtum (7,5), Taco van Camminga uit Arum (6,67) en de ‘papist’ Alef van Aggema uit Witmarsum (6,5). Hun bezit in Wonseradeel, behalve dat van Bruynsma, lag steeds voor ongeveer tweederde deel in hun woonplaatsen.

Het onroerend goed van de 51 grootgrondbezitters was vooral te vinden in de dorpen ten noorden van Bolsward (Witmarsum, Arum, Burgwerd en Hichtum) en in Tjerkwerd, direct ten zuiden van die stad. De overige stemmen in de grietenij, dus ongeveer de helft van het totaal, waren in handen van een divers gezelschap van meestal absenteïstische burgers en boeren. In geen enkel dorp, ook niet in de kleinere (er waren zes dorpen met minder dan tien stemmen), had één eigenaar de meerderheid van stemmen.67 Wie in aanmerking wou komen voor het grietmanschap van Wonseradeel, moest dus hoe dan ook aankloppen bij honderden eigenaren-gebruikers en bij een eveneens groot aantal meiers van kleinere eigenaren of deze eigenaren zelf.

De strijd om het grietmansambt van Wonseradeel liep zo hoog op, dat de vraag wie er gewonnen had – uiteindelijk zou Aylva het pleit winnen – door raadsheer Jongema voor het Hof van Friesland werd gebracht.68 Opvallend is, dat in dit proces het stemrecht van de eigenaren, noch dat van de meiers werd betwist. Ook de religieuze gezindheid van de kiezers (Wonseradeel stond bekend om zijn vele rooms-katholieke inwoners 69) speelde geen enkele rol; dissenters konden ongehinderd stemrecht uitoefenen.70 Het ging steeds uitsluitend om de vraag of de ‘ingezetenen’ wel op een vooraf aangekondigde bijeenkomst in de kerk hoofd voor hoofd hadden gestemd en of de stemmen wel waren uitgebracht op grond van eigendom of gebruik (dat werd in het midden gelaten) van een schotschietend huis. Desalniettemin geven deze stukken wel een indruk wie in Wonseradeel het electoraat vormden, zowel bij de verkiezing van een grietmansnominatie als bij die van volmachten ten Landdage.

Op de dag dat de ingezetenen van Hichtum in de kerk bijeen waren om de kerkrekening op te nemen, aldus een van de verklaringen in het dossier, kwamen Tjaard van Aylva en Idzard van Burmania om de ‘Gemeijnte ofte ingesetene’ uit te nodigen een halve ton bier te komen drinken. In de dorpsherberg ondertekenden vervolgens negentien ingezetenen in aanwezigheid van een notaris een ‘contract van verbintenisse’.

Daarbij beloofden zij als ‘ingesetene ende gebruijckers van schotschietene plaetsen in den dorpe Kimswart’ en ‘als mannen met eeren’ om Herema, Aylva en Aysma te kiezen. Van de negentien zijn in het stemkohier van 1640 zes als gebruiker en twee als eigenaar te traceren.71 Deze pachtboeren waren dus vrij om hun stem te geven aan wie zij wilden.

Twintig inwoners van Wons, ‘gemeene Gemeente ende ingesetenen’, verklaarden op diens verzoek Tjaard van Aylva in de derde stem 72 te zullen brengen in de verkiezing van de nominatie van het grietmansambt. Zeven van hen zijn terug te vinden in het stemkohier van 1640, allen als gebruiker. Zeven andere ‘ingesetene ende schotschietende gemeentsluijden’ van Wons waren ook gestrikt door Aylva en beloofden hem hun stem. Twee waren volgens het kohier gebruiker en één was gebruiker en tevens eigenaar. De gebruikers stond het dus vrij zonder vooroverleg met de eigenaren het stemrecht uit te oefenen. En dan zijn er nog twee verklaringen van Wonserders dat dorpsgenoten, een echtpaar, zich eveneens hadden laten ‘gebruijcken’ door Aylva, maar ‘geen schotschietende persoonen sijn in Wons’ oftewel ‘geen schotschietende huijsen zijn bewonende’ en ook in het verleden niet hadden gestemd.73

Toen de grietmansverkiezing van Wonseradeel ophanden was, had raadsheer Gellius van Hillema zijn meiers in die grietenij (waarschijnlijk waren het er zes 74) via de secretaris van Bolsward opdracht gegeven om Frans van Jongema en Tjaard van Aylva te nomineren. Daaraan was door alle meiers voldaan, behalve door Baucke Sijercxs Rommerta en zijn vrouw Trijn Rijenxdochter te Pingjum, die ‘ter contrarie’ hadden gehandeld.75

Er waren eigenaars in Wonseradeel (er is één geval bekend) die uit de kuiperij om het grietmansambt kennelijk tot de ervaring waren gekomen dat het stemrecht te waardevol was om aan de meier over te laten, maar ook dat het moeilijk was om de meier in stemrechtzaken naar hun pijpen te laten dansen. In huurcontracten van vóór 1640 werden, voor zover we kunnen nagaan, nooit bepalingen opgenomen omtrent het stemrecht.76

In het dorp Pingjum werd echter in februari 1624 voor drie jaar een huis met landerijen verhuurd aan de zittende huurders, onder de bepaling dat de verhuurders gedurende de pachtperiode ‘de stemminge van dese plaets aen hen beholden, sonder dat den huirder tot hun preiuditie enige stemmen sal moghen geven’. Wanneer het vanzelf had gesproken dat het stemrecht uitsluitend voorbehouden was aan de eigenaars, was deze expliciete en uitzonderlijke bepaling in het huurcontract overbodig geweest.77

Dat de eigenaar bepaalde op wie er gestemd werd en niet de meier, was ook in 1638 nog geen vanzelfsprekende zaak. In dat jaar liet de edelman Pieter van Walta zijn meiers in zowel Oostergo als Westergo weten dat zij zich in het ‘nomineren ende stemmen’ van volmachten moesten ‘reguleren ende refermeren’ aan zijn neef Tjaard van Walta, ‘sonder tegens sijn wille haer te laten gebruijcken, maer in alles te doen nae sijn wille ende welgevallen’. Wanneer zij dit niet deden, zouden zij ‘verfallen in mijn ongunste’.78 Gezien de sterke positie van pachters ten opzichte van hun landheren is het de vraag of deze boterzachte sanctie voldoende was om de meiers te laten gehoorzamen.

Duidelijk is dat een eigenaar als Walta voor de uitoefening van het stemrecht in feite afhankelijk was van de welwillendheid van zijn meiers en dat zij onder druk moesten worden gezet om hun stem af te staan. Een meier kon het met behulp van zijn landheer zelfs tot volmacht ten Landdage schoppen. Zo kwam Ernst Casimir tijdens de vergadering van Gedeputeerde Staten over de toelating van volmachten tot de Landdag (de ‘visitatie van de procuraties’) van 1621 ter ore dat Remmert Reitzes, eigenerfde volmacht voor Dantumadeel, ‘dependeert van Dauwe Alua, also hi eene sate landes van Dauwe Alua in huire heeft’.79

 

60 TR, SHA, inv.nr. 456. Hierin brieven aan (de secretaris van) de stadhouder en afschriften van processtukken (vnl. getuigenverklaringen van jan. en febr. 1624) die ‘ter ordonnantie van den Hove’ gewaarmerkt zijn door de griffier of een andere functionaris van het Hof.
61 Officieel waren het 27 dorpen en 2 kloosters (Oegeklooster en Oldeklooster), maar de stemmen van de kloosters telden mee als dorpen.
62 TR, SHA, inv.nr. 456; Renicus Atsma aan stadhouder Ernst Casimir, Leeuwarden 11 nov. 1623. Ook in 1788 werd Wonseradeel ‘gehouden voor de vermogendste en voordeeligste der geheele Provincie’; Tegenwoordige Staat III, 156. Geen enkele grietenij droeg zoveel bij aan de floreenbelasting (bijna 10% van het totaal); Van Swinderen, Oorsprong, 127. Wat betreft aantal stemmen was Weststellingwerf met 797 de grootste grietenij.
63 In Gysbert Japix’ Friesche Tjerne, æf Een Friesche Brullofts-Praet, Fen Huwz-Man Tjerne-Maet (Bruiloftskout van landman Tjerne bij het huwelijksfeest van zijn landheer) uit 1640 komt een verwijzing voor naar de kuiperij om het grietmansambt in Wonseradeel in 1623: ‘Dy Dekers yens! allijck is ’t Brulloftjen az ’t kuwppjen, Er’n da uwz Gritman stoar, ho ging it op in suwppjen, In op in Ytten Snjeons?’ (‘Verdraaid, het bruiloften is één van aard met kuipen! Lest toen de grietman stierf, hoe ging het op een zuipen en op een schransen soms!’ [soms= zaterdags, H.S.], vert. D.A. Tamminga); Breuker e.a., Gysbert Japix, 38-39; Breuker, It wurk II, 306, 309-310. Tjerne had als huurboer volgens Breuker geen stemrecht; ibidem, 309.
64 Wanneer hij niet in zijn opzet slaagt, zo schrijft Schelte van Aysma op 9 nov. 1623 aan Dirck Dibbets, secretaris van de stadhouder, dan zal hij ‘aparentelijck een groote aantal van duisenden ... moeten verliesen’ en ‘ontsie ick mij groote vergeefse oncosten [doorgehaald: van cuperije, H.S.] aen te wenden ende van argh tot argher te loopen’; TR, SHA inv.nr. 456.
65 TR, SHA, inv.nr. 456; Renicus Atsma aan stadhouder Ernst Casimir, Leeuwarden 11 nov. 1623. Zie over Atsma p. 143 en over zijn mening over het kuipen p. 163-164.
66 Tegenwoordige Staat III, 156.
67 In Hichtum (13 stemmen) had Huyghis met 4,5 meer dan een kwart van de stemmen en in Surich (11 stemmen) Jacob Tjebbes Popta eveneens met 4 stemmen.
68 Zie noot 60.
69 O.m. Kalma, Classisboek Bolsward-Workum, 125.
70 Een citaat uit een fragmentarisch bewaard gebleven remonstrantie voor stadhouder en Gedeputeerde Staten (begin en eind ontbreken): ‘Hier beneffens is noch te considereeren dat in het jaer 1623 omme den heren Osinga P.M. te keeren hebben de Remonstrant ende Jr. Jan van Heerma mede competiteur cum socijs versocht aen U Gen. ende E.M. dat de Papisten solden mogen stemmen, hebben oock diesvolgens de Papisten mede niet allene Volmachten in hare respective dorpen gecosen, dan oock selffs Volmachten vande dorpen geweest, ende nae hare believen gecommitteerden gesteldt voor het merendeel papisten’. Atsma schrijft op 6 jan. 1624 aan de stadhouder dat Aylva in alle dorpen op de nominatie was gebracht, behalve in één dorp, ‘dat wt bittere papisten bestaet’. Zie voor beide stukken noot 60.
71 De verklaring werd op verzoek van Frans van Jongema afgelegd door de predikant en vier andere Kimswerders; van deze vier staat een als eigenaar en staan twee als gebruiker te boek in het kohier van 1640. Verder is er een verklaring van acht andere ingezetenen van Hichtum dat zij op Jongema hebben gestemd; drie van hen zijn als gebruiker terug te vinden in het stemkohier van 1640. 72 Elke stemgerechtigde noemde drie namen. Wie in de meerderheid van dorpen het vaakst als derde genoemd werd (‘in de derde stem gebracht’) genoot de voorkeur en werd in de regel door Gedeputeerde Staten en stadhouder gekozen. Er zijn overigens aanwijzingen dat vóór 1640 (in sommige grietenijen) een andere procedure gevolgd werd.
73 De ene verklaring was van vier ‘ingesetene ende schotschietende van Wons’ waarvan in 1640 twee gebruikers (Jacob Wybes was meier van jr. Adolph van Aggema te Witmarsum) en één eigenaar-gebruiker. De andere was van een zestigjarige inwoner van Wons.
74 In 1640 hadden twee kinderen van Gellius van Hillema (overleden in 1626), Houkje, weduwe Bouricius en Arent, vier stemhebbende plaatsen in Wonseradeel in eigendom, te Burgwerd, Dedgum, Arum en Pingjum. Fockje van Sminia, weduwe van zoon Frederick, had twee plaatsen in eigendom, in Pingjum en Lollum.
75 Aldus de verklaring van Arent van Loon, notaris te Leeuwarden. Mogelijk heeft daarbij een rol gespeeld dat de Rommert(h)a’s vooraanstaande eigenerfden in Pingjum waren, geparenteerd aan meerdere adellijke families, zie o.m. Nieuwland, ‘Kertiersteat’, 71 (nr. 5038). Overigens verwijst Algra naar een stuk in deze omslag – dat door ons niet kon worden gevonden – waarbij een stem van Rintie Claessen door Frans van Jongema ongeldig wordt geacht omdat Rintie ‘tegen wille ende buyten belastinge van zijn landtheeren ... zijn stemme [heeft] gegeven’. Algra concludeert hieruit ‘dat de meier slechts alieno iure gerechtigd is aan de stemming voor de grietman deel te nemen’ en dat meiers dus slechts als lasthebbers van de eigenaars mochten stemmen; Algra, Ein, 149. Uit het feit dat de meier niet aan deze wens gehoor gaf kan o.i. evengoed worden afgeleid dat hij de facto gewend was om te stemmen zoals hem goeddacht, en dat ook nu deed. Voor Jongema stond veel op het spel en in deze spannende verkiezingsstrijd zal hij alles uit de kast hebben gehaald om zijn doel te kunnen bereiken, ook het recht dat hij wellicht de jure kon opeisen. 76 In een veertiental door ons geraadpleegde huurcontracten van het einde van de zestiende eeuw tot 1638 komt geen enkele keer een bepaling betreffende het stemrecht voor; TR, SCH, inv.nrs. 645, 934, 1096, 2945: SMI, inv. nrs. 382, 821, 1151, 1776; LIA, inv.nr. 665; AYL, inv.nrs. 7, 10; EVC, inv.nrs. 1614, 2246, 2986.
77 TR, SHA, inv.nr. 456 (6 febr. 1624). Eigenaren van deze ‘huisinge met vier ende tuintich pondematen soe saed maed als fenlant’ waren de echtelieden Focke Jensma en Tiets Rienxdochter. Wellicht heeft een rol gespeeld dat de eigenaars eveneens te Pingjum woonden (en dus deel uitmaakten van de dorpsgemeenschap) en de plaats voor slechts betrekkelijk korte tijd verhuurden. De eigenaars konden het stemrecht wellicht gemakkelijk opeisen omdat zij het (schotschietende) huis in eigendom hadden (meestal was dat eigendom van de meier) en de plaats voor slechts betrekkelijk korte tijd verhuurden zonder recht van melioratie (vergoeding aan de huurder van eventuele verbeteringen aan het huis).
78 TR, EVC inv.nr. 2669. Tjaard van Walta gaf op zijn beurt aan Pieters meiers last ‘haer in alle manieren int stuck van stemmen tot volmachten op de aenstaende landtsdach conform te maecken met de heren Glins op Dronrijp, ende sijn directie ende ordre daerinne in alle manieren te volgen’. Tjaard van Walta had in 1640 slechts twee stemmen (in Leeuwarderadeel en Baarderadeel). Pieter was aanzienlijk meer gegoed, met 23 stemmen in zes grietenijen, waaronder 4½ in Glins’ grietenij Menaldumadeel. Glins volgde hier dus niet de gebruikelijke strategie om de meiers voor zijn kandidatuur te mobiliseren, maar kuipte reeds op de ‘nieuwe’ wijze om de stemmen bij de eigenaren.
79 TR, SHA inv.nr. 69-26; vgl. p. 116. Douwe van Aylva was grietman van Westdongeradeel; zijn achterneef Tjaert van Aylva van Dantumadeel, de grietenij van Remmert. In 1640 hadden de ‘kinderen en erfgenamen’ van Douwe van Aylva, overleden in 1638, elf stemmen in bezit, waarvan drie in Dantumadeel. Remmert werd in 1621 inderdaad volmacht ten Landdage voor Dantumadeel.